Maak van Nederland een Europees cultuurland

Er wordt in Nederland een cultuurvijandig populisme gemobiliseerd dat via de politiek de fundamenten van het bestaande, traditionele cultuurgoed kan aantasten

De aangekondigde kortingen op de kunstsubsidies, met het daaraan ontsproten huidige debat over de zin van deze overheidssteun, biedt een goede gelegenheid om de kwestie van de financiering van hedendaagse kunst, al langere tijd omstreden, opnieuw tegen het licht te houden.

Het is niet alleen zo dat niet alle hedendaagse beeldende kunst en muziek niet van de bovenste plank is, maar ook dat heel veel eenvoudig geen beeldende kunst of muziek is. Dat kritiek op hedendaagse kunst en muziek een 'populistisch cliché' zou zijn, of zou voortkomen uit een 'conservatieve' of 'reactionaire' gezindheid, is een oude, onnozele dooddoener die, logisch doorgedacht, zou leiden tot de conclusie dat er geen slechte nieuwe kunst en muziek bestaat - want hoe zou je dat moeten weten, als kritiek bij voorbaat op deze primitieve manier wordt bekeken?

Het urinoir van de concept art
In het dit jaar bij Uitgeverij Aspekt verschenen boek 'Niet alles is kunst' van de auteurs Lennaart Allan, Willem Meijer en Diederik Kraaijpoel, wordt op een diepgaand geargumenteerde wijze getoond hoe het gekomen is dat, na aanvankelijk serieuze vernieuwingen in de kunst, tegenwoordig mensen met allerlei onzin poseren als 'kunstenaar' en in Nederland daarvoor ook nog door de overheid worden betaald. De zg. 'concept art', begonnen met de grap van het geëxposeerde urinoir van Marcel Duchamp (1917), en het atonale modernisme (dat een muzikale concept art is) in de serieuze muziek zoals ontwikkeld door de latere Schönberg en Webern in de jaren '20, werden na de Tweede Wereldoorlog beschouwd als het beste bij de moderne tijd passend en 'verder ontwikkeld', wat leidde tot zowel de vernietiging van de schilderkunst als de muziek in de vorm van zich ontwikkelende tradities: de twee naoorlogse vernieuwende stromingen waren namelijk gebaseerd op een fundamentele breuk met de Europese mimetische traditie.

Het gevolg was, dat de deuren van de kunst (zowel de beeldende kunst als de muziek) wagenwijd werden opengezet voor mensen die, wegens gebrek aan artistiek talent, op dat terrein niets te zoeken hadden maar in Nederland ineens een kans zagen om een beetje glamour te stelen op kosten van een gemakkelijk om de tuin te leiden overheid. Met serieuze kunstbeoefening heeft het niets te maken, alle rethoriek en ideologische prietpraat ten spijt, en al helemaal niets met de Europese artistieke traditie zoals deze zich over lange perioden had ontwikkeld. Concept art en concept music, samen te vatten onder de overigens vage term 'modernisme', zijn stromingen die zich naast en afzonderlijk van de traditie ontwikkelden, zoals de fotografie zich in de 19e eeuw ontwikkelde naast de schilderkunst.

De overheid en het volk
Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de overheidssubsidies voor nieuwe kunst en muziek zich voornamelijk beperkt tot de ondersteuning van modernisme, omdat de centrale kunst- en muziekwereld daar vijandig tegenover stonden. Dit werd gerechtvaardigd door een ideologie die zich op 'de vooruitgang' en 'de moderniteit' beriep, met de 'avantgarde' als moedige voorhoede, en het 'domme publiek' als burgerlijke, kunstvijandige schapen die niets van de 'moderne tijd' zouden begrijpen. Beeldende kunstenaars en componisten die zich niet bij het modernisme betrokken voelden, werden beschouwd als 'conservatief' en dus 'irrelevant'. Zó eenvoudig zat de wereld in elkaar.

En ook nu weer zien we, in het huidige debat over de kunstsubsidies, simplisme opduiken maar van een veel en veel gevaarlijker soort dan voorheen. In de jaren '60 vormden de museale collecties van traditionele kunst en het traditionele muziekleven een hecht establishment waaraan niet gemorreld kon worden, al hadden vele avantgardisten dat eigenlijk wel gewild: de klassieke kunst was een onaantastbaar cultuurgoed. Maar nu wordt in Nederland een cultuurvijandig populisme gemobiliseerd dat via de politiek wel degelijk de fundamenten van het bestaande, traditionele cultuurgoed kan aantasten, en dat ook daadwerkelijk van plan is, zoals het voornemen van het nieuwe kabinet om het muziekcentrum van de omroep, met o.a. het Radio Filharmonisch Orkest (onder leiding van de Nederlandse rijzende dirigentenster Jaap van Zweden), af te schaffen.

Cultuurbarbaren
De discussie over de kunstsubsidies is in de handen van de cultuurbarbaren een instrument tot afbraak geworden: moderne kunst waar wij belasting voor betalen is onzin, dus laten we nu de stekker uit àlle kunst trekken, het Muziekcentrum van de Omroep opheffen, het Rijksmuseum sluiten en al die elitaire schilderijen verkopen (dan kunnen we het geld voor de zorg aanwenden), het Concertgebouw met orkest en al verkopen aan Joop van den Ende, de openbare bibliotheken sluiten (want educatie is onzin) - er is geen eind aan populistische afbraakbehoeften.

Dit simplistische denken onthult Nederland als een land dat geen voeling meer heeft met Europa en de Europese geschiedenis, een onbeschaafd land waar het 'gesundenes Volksempfinden' via een verkeerd begrepen democratisch proces probeert kosten te besparen op juist die zaken, die voor een cultuurland van groot belang zijn. Maar het overheidsmodernisme heeft precies de wapens geleverd waarmee 'het volk' nu met haar onvrede 'de cultuur' te lijf wil gaan. Decennia van eenzijdige overheidssteun heeft 'de burger' het idee gegeven dat er alleen maar, als het om nieuwe kunst gaat, concept art en concept music bestaat. De claims van het conceptualisme, een normale ontwikkeling van 'de kunst' te zijn, ondermijnen haar eigen bestaansrecht, dat in werkelijkheid bestaat naast de normale ontwikkelingen in de nieuwe kunst, niet in plaats van.

Terzijde dient opgemerkt: als van moslim-immigranten wordt verwacht dat ze in dit land 'integreren' - in wat voor soort samenleving komen ze dan terecht als het populisme z'n zin krijgt? Is het dan niet begrijpelijk dat ze liever vasthouden aan hun eigen cultuur, die dan misschien veel conservatiever is, maar tenminste iets van culturele waarden in zich draagt?

Nederland: cultuurland?
Als Nederland een echt, normaal Europees cultuurland zou willen zijn, een land dat door de overige lidstaten voor vol zou worden aangezien, zou het zich moeten herbezinnen op de vraag wat cultuur nu eigenlijk inhoudt, en een onderscheid proberen te maken tussen evidente onzin en wat voor de samenleving van betekenis is. Dit kan niet aan 'het volk' worden overgelaten, maar is de taak van de lagen in de samenleving die althans proberen zich een cultuurbesef eigen te maken, en dat heeft niets met het urinoir van de concept art en concept music te maken - dat gaat om iets geheel anders.

Cultuurbesef ontstaat door culturele ontwikkeling: door het vele zien en horen van het beste dat de Westerse cultuur heeft opgeleverd, zodat vergelijkingen kunnen worden gemaakt. Het is een kwestie van 'Bildung', van mensvorming, en dus van onderwijs en - in het verlengde daarvan - politiek leiderschap met cultuurbesef, waaraan het in Nederland - met name in de politiek - smartelijk ontbreekt.

Talentloosheid
Er wordt veel belastinggeld weggegooid aan activiteiten die niets met kunst te maken hebben, zoals er ook veel overheidsgeld aan voetbal en megaprojecten zoals de Betuwelijn en de Amsterdamse Noord-Zuidlijn wordt verspild, dus daar kan om deze reden moeilijk bezwaar tegen gemaakt worden. Maar van kunst wordt iets anders, iets beters verwacht, iets dat een belangrijke bijdrage is aan het geestelijk niveau van een samenleving, van een natie. Van concept art en concept music kan zoïets niet verwacht worden omdat de toegepaste middelen totaal ongeschikt zijn om zo'n ideëel doel ook maar enigszins te kunnen verwezenlijken.

Inmiddels heeft decennia lang juist deze 'kunst' de overheid flink uitgemolken en een subcultuur geschapen waarin gebrek aan artistiek talent, aan intelligentie, aan verantwoordelijkheid, aan esthetisch onderscheidingsvermogen, de toon aangaf, ten koste van de werkelijke kunstenaars en componisten die zich, in de tegenwind van de talentlozen, uit idealisme richtten op de mogelijkheden van een renaissance van nieuwe kunst en muziek als esthetisch betekenisvolle en expressieve kunstvormen.

De stille revolutie
En inderdaad is er nu al jaren (in binnen- en buitenland) een stille revolutie aan de gang: een terugkeer van de figuratieve schilderkunst, die nu dan ook steeds meer de aandacht krijgt die ze verdient. Nederlandse schilders als Henk Helmantel, Matthijs Röhling en Kik Zeiler werden in de jaren '70 door de 'officiële kunstwereld' verketterd als reactionaire stakkers die de moderne tijd niet begrepen, maar zijn inmiddels herkend als baanbrekende kunstenaars die de moed hadden om hun eigen intuïtie te volgen (Zeiler had dit jaar zijn eerste overzichtstentoonstelling in Assen).

De Amsterdamse schilder Wim Heldens doet het nu goed in Amerika en Engeland waar hij prijzen won en exposeerde in de Londense Portrait Gallery, maar in Nederland wordt hij nog steeds genegeerd. De Duitsers Werner Tübke en Michael Triegel, de Noor Odd Nerdrum, zij vertegenwoordigen een hedendaagse kunst die gebruik maakt van oudere technieken en beschikt over een groot artistiek uitbeeldingsvermogen. Reproducties van het werk van Zeiler - traditioneel van techniek maar onmiddellijk als van deze eigenwijze schilder te herkennen - zijn te vinden tot in Rusland. De briljante Nederlandse beeldhouwster Lotta Blokker maakt, geheel buiten het 'officiële' moderne-kunstcircuit om, carrière met verbluffende realistische werken. Dit is allemaal niet de zg. kitsch van het zigeunerinnetje boven de schoorsteen, maar een serieuze nieuwe stroming die probeert de barbarij van de afgelopen eeuw innerlijk te overwinnen.

Terug naar common sense
In de Angelsaksische wereld is momenteel zelfs een wederopleving te zien van klassieke architectuur, waarbij in Londen kantoorgebouwen worden neergezet in de stijl van en met de allure van een Palladiaans stadspaleis (Quinlan & Francis Terry: 264-267 Tottenham Courtroad). En ook in de nieuwe muziek exploreren (nu toenemend succesvolle) componisten traditionele middelen, niet om de geschiedenis te herhalen, maar om nieuwe uitdrukkingsvormen te vinden voor universele beschavingswaarden: Nicolas Bacri en Richard Dubugnon in Frankrijk, Wolfram Wagner (geen familie) in Oostenrijk, David Matthews in Engeland. Op deze kunstenaars, van groot talent en vakmanschap, is de hoop gevestigd dat de nieuwe kunst zich van de rampzalige vorige eeuw zal herstellen. Dit is geen rechts-conservatief gebabbel of populistisch primitivisme, maar niet meer dan common sense: cultureel besef is niet het eigendom van 'conservatief' rechts of 'progressief' links. Niet vooruitgang staat nu centraal in de nieuwe kunst, maar betekenisgeving, expressie, culturele identiteit.

Het afschaffen van de overheidssubsidies voor àlle nieuwe kunst, inclusief de bovengenoemde stromingen, zou een daad van barbarendom zijn die de destructiviteit van het staatsmodernisme nog zou overtreffen. Het zou Nederland voor de buitenwereld onthullen als een niet-Europees land waar het populisme een over lange tijd opgebouwde, nog min of meer beschaafde samenleving om zeep helpt. Het zou het begin zijn van een uittocht van intellect en artistiek talent, net als in de jaren '30 de denkende en scheppende elite Europa verliet voor Engeland en Amerika.

De condition humaine in de Volkskrant
De jonge CDA-politicus Diederik Boomsma publiceerde in de Volkskrant van 19 oktober j.l. een tekst die pleitte voor het afbouwen van de subsidies voor die moderne kunst en muziek, die zich baseert op de weg die met de concept art en concept music werd ingeslagen. Logisch doorgedacht ligt het voor de hand, nu kunstsubsidies toe te spitsen op die nieuwe ontwikkelingen, die zich weer op de mimetische traditie (beeldende kunst) en de tonale traditie (muziek) baseren.

Een bijkomend voordeel is, dat de kwaliteitskwestie ook dan duidelijker kan worden: met een duidelijker verband met de praktijk door vergelijking met uitstekende prestaties elders en in het verleden, kan hedendaagse kwaliteit beter zicht- en hoorbaar worden. De belangrijkste zin in Boomsma's uitstekende stukje is: "De millennia oude westerse kunsttraditie is een vorm van emotionele kennis over de condition humaine." Deze traditie ontwikkelt zich steeds, en de nieuwe figuratieve beeldende kunst en nieuwe tonale muziek is een voortzetting, niet een herhaling, van die traditie. En deze traditie biedt een context om nieuwe kwaliteiten te kunnen herkennen en te erkennen, in tegenstelling tot het modernisme in al zijn vormen waarbij geen enkele artistieke kwalitatieve context mogelijk is.

Vuilnisbelt
Boomsma stelt dat het beter zou zijn de nieuwe kunst aan de markt en het mecenaat over te laten, wat in een normaal land dan ook acceptabel is, zoals bv. in het huidige Duitsland al sinds jaar en dag gepraktiseerd wordt - niet als vervanging, maar als aanvulling op de overheidssteun. Maar omdat er in Nederland geen traditie van mecenaat is, en er alleen een markt bestaat voor beeldende kunst via de galeries, zou dit betekenen dat de nieuwe muziek ten dode is opgeschreven.

Het zou dus een beter idee zijn om de subsidies voor nieuwe beeldende kunst geheel af te schaffen, en alleen nieuwe, op tonale tradities gebaseerde muziek te ondersteunen, en dan gerelateerd aan de centrale uitvoeringspraktijk zodat de beschamende onzin die in de publieke ruimte als 'voortzetting' van de westerse kunst- en muziektraditie wordt gepresenteerd, wordt teruggezet waar deze thuishoort: in de marge van de samenleving en op de vuilnisbelt van de geschiedenis.

............................................................................................................

Graag wil ik nog reageren op een stuk van Hans Koolmees in de Volkskrant van 25 oktober.

Diederik Boomsma gebruikte een voorbeeld uit een lijst om een breed aspect van het modernisme en de daarmee verstrengelde subsidiecultuur aan te duiden. Ik heb deze lijst, die al jaren oud is, niet gemaakt: deze bestaat uit gegevens van door het fonds gepubliceerde jaarverslagen die door het toenmalige Genootschap van Nederlandse Componisten op een rijtje zijn gezet. (Ik heb nooit, zoals Koolmees beweert, 'erkend' dat deze lijst incorrect was.) De lijst staat hieronder.

Later heeft het fonds toegegeven dat deze gegevens niet compleet waren, maar dat doet niets af aan wat deze lijst laat zien, en met name - wat nog belangrijker is - de evidente belangenverstrengeling die er sinds de oprichting van het fonds bestond: ontvangers van de grootste bedragen zaten in het bestuur of in de adviescommissies, en/of waren lid van de andere componistenvereniging: Componisten '96, bestaande uit componisten die zich van het Geneco hadden afgescheiden omdat daar de hoogte van de toekenningen voor een centrale club ter discussie werden gesteld.

Er bestaat een academisch proefschrift over die kwestie, die behalve de betrokken componisten niemand interesseerde, en die een onthullend kijkje geeft in de subcultuur van het toenmalige Nederlandse componeren. De lijst - die dus bestaat uit openbare informatie - is bekend bij het Ministerie en de media, maar er is nooit iets mee gedaan. De gegevens zijn ook nu voor het huidige beleid van het fonds niet relevant want het Fonds voor de Podiumkunsten, waarin het FST is opgegaan, heeft het roer omgegooid en bereidt nu een ander en fatsoenlijker beleid voor (vanaf volgend jaar). Maar dat laat onverlet dat er jarenlang een onterecht systeem bestond waarin op basis van een evidente belangenverstrengeling geld terecht kwam bij mensen die zelf invloed op de geldstroom konden uitoefenen, dus Boomsma's voorbeeld is voor wat hij wilde zeggen, wel degelijk relevant.

Beoordeeld
Vermeld dient te worden dat de subsidiestructuur voor de nieuwe muziek, zoals die vóór het huidige Fonds voor de Podiumkunsten bestond, iedere vijf jaar werd beoordeeld door Bureau Driessen, door het Ministerie ingehuurd om te kijken of alles nog wel in orde was. En ja hoor, Bureau Driessen bracht trouw iedere vijf jaar de belangenverstrengeling keurig in kaart, en verbond daar nooit de conclusie aan dat er iets niet klopte. Ook het Ministerie vond het kennelijk prima. Dit beeld bevestigt ten volle wat Boomsma in zijn opiniestuk wilde zeggen: dat er op een fundamenteel niveau iets mis is met een kunst, die bestaat bij de gratie van een elkaar de bal toespelende incrowd.

Ieder vogeltje zingt zoals het gebekt is
De manier waarop in Nederland subsidie aan nieuwe kunst wordt verstrekt, behoeft hervorming - géén dichtdraaien van de kraan maar een her-evaluatie. Koolmees, die in het wereldje van de fondsmuziek meedraait, doceert aan het conservatorium - waarom heeft hij dan subsidie nodig? Hij stelt dat ik drie keer door het systeem betaald werd. Dit is correct: sinds de oprichting van het fonds begin jaren '80 mocht ik drie keer (!) een fooi ontvangen (waaronder een korte opera die werd ingeschaald als kamermuziek), wat over een periode van dertig jaar geen vetpot genoemd kan worden.

Ik heb vele jaren mijn werk van een uitkering moeten doen, in plaats van de muziek aan te passen aan de vereisten van het subsidiesysteem, wat gezien de recente positieve feedback op mijn werk in het buitenland een goed idee blijkt te zijn geweest. Koolmees zou hierop waarschijnlijk antwoorden dat mijn afwijzingen gewoon het gevolg zijn van het feit dat ik zo 'n slechte componist ben, want hijzelf ontvangt immers wèl geld van het systeem. Namelijk, voor de componisten die in het systeem meedraaien, is het fonds een soort Centraal Comitee, dat voor iedereen uitmaakt wat goede en slechte muziek is; in de adviescommissies hebben immers betrokkenen zitting die precies weten waar de subsidie naartoe moet gaan. Gelukkig wordt nu vanaf volgend jaar het toekenningsbeleid op de praktijk gericht en zijn we van dit soort belangenverstrengeling af. De heer Koolmees heeft mij overigens in 2004 vereerd met een vele pagina's lange hate-mail-brief, omdat ik de brutaliteit had om in het Tijdschrift voor Muziektheorie (november 2003) het modernisme te bekritiseren; een prachtig document in mijn verzameling van boze reacties op mijn werk en ideeën.

Boomsma pleit voor een meer serieuze nieuwe kunst die meer met de wereld verbonden is i.p.v. de vele onzin die in de publieke ruimte als 'nieuwe ontwikkelingen' worden voorgesteld, terwijl die ontwikkelingen in de meeste gevallen slechts een herkauwen van ideeën uit de jaren '60 zijn en inmiddels door en door ouderwets. Maar gezien de vele reacties op zijn stuk lijken vele mensen niet te lezen wat er staat. Er is overigens inmiddels een herleving van figuratieve schilderkunst en van klassiek-georiënteerde nieuwe architectuur aan de gang, vaak van hoge kwaliteit, en deze beweging is - in tegenstelling tot het modernisme en flauwe postmodernisme - voor een ontwikkeld publiek toegankelijk. Dit toont aan dat de nieuwe kunst springlevend is en zich in onvoorziene richtingen kan ontwikkelen; als de overheid - in Nederland noodgedwongen omdat er geen traditie van mecenaat is - de kunst wil steunen, zou zij zich juist op nieuwe en betekenisvolle ontwikkelingen moeten richten. De muziek is altijd wat later, en ook hier wordt hier en daar een nieuw traditionalisme beproefd. Maar in Nederland wordt dit vooralsnog van een normale financiering uitgesloten omdat mensen als Koolmees liever de status quo handhaven, die immers voor hen het meest lucratief is.



Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden