Maak van je tegenstanders geen karikatuur

Saskia Pieterse veegt ten onrechte de vloer aan met Karel van het Reve en Sander van Walsum.

Actievoerders demonstreren tegen de film Michiel de Ruyter. Beeld anp

Als je met mensen in discussie gaat, is een van de moeilijkste dingen om de argumenten van je tegenstanders te bestrijden zonder er een karikatuur van te maken. Het politieke debat laat vaak zien hoe het niet moet, maar zo'n debat richt zich niet op het overtuigen van de tegenstander maar op het overtuigen van het publiek.

Erger is het wanneer wetenschappers zich van deze praktijken bedienen. Neerlandica Saskia Pieterse is zo iemand. De afgelopen weken heeft ze achtereenvolgens de vloer aangeveegd met Karel van het Reve en Karl Popper en met historicus Sander van Walsum, die het waagde te beweren dat hij zelfs na een studie geschiedenis niet weet waar zeehelden als Witte de With hun roem aan te danken hebben.

Het eerste dat opvalt is dat Pieterse met zoveel dedain schrijft over ongeveer alles. De titel van een tentoonstelling in het Mauritshuis noemt ze sarcastisch een 'originele ingeving'. Het woord held kan ze niet zonder aanhalingstekens gebruiken.

Van het Reve noemt ze 'een essayist die structureel wordt ingezet om desinteresse tot een deugd te verklaren'. Hoe deze maatschappelijk geëngageerde hoogleraar Slavische taal- en letterkunde uit desinteresse een verzameld werk van vijfduizend pagina's over zijn vak heeft kunnen schrijven waarvoor hij de P.C. Hooftprijs kreeg is een volkomen raadsel.

Over Popper stelt ze nuffig dat hij in de jaren zeventig 'erg in de mode' was, maar 'de wetenschapsfilosofie is niet blijven stilstaan'. Mensen die zich voor wetenschap interesseren zullen daarvan opkijken. De filosoof Popper liet de fundamentele mankementen van de gangbare wetenschapsbeoefening zien (vanaf de jaren dertig trouwens). Volgens hem kun je een theorie nooit met waarnemingen bewijzen, hoeveel waarnemingen je ook doet. Daarom moest een wetenschapper niet op zoek naar waarnemingen die een theorie bewijzen, maar naar feiten die een theorie ontkrachten.

Als er inmiddels nieuwe inzichten op dit gebied zijn, zouden veel mensen hier graag meer over te weten komen. Van Pieterse moeten ze het dan niet hebben, want zij verzucht wel dat het 'hoog tijd is dat de complexiteit van het filosofisch denken over valide wetenschapspraktijken tot het Nederlandse opinielandschap doordringt', maar daar laat ze het bij. Wel legt ze Van het Reve woorden in de mond die hij nooit zou gebruiken, namelijk dat 'alle wetenschap die niet voldeed aan het popperiaanse falsificatiebeginsel volgens hem ondeugdelijk was'. Als je dat schrijft, heb je Van het Reve noch Popper begrepen. Deze falsificatieregels gelden niet voor de wetenschap als geheel, maar alleen voor de toetsing van de juistheid van theorieën.

Jan Willem Jurg is neerlandicus.

Haar eigen artikelen geven prachtige voorbeelden om aan te demonstreren wat dus níet wetenschappelijk is. Zo beweert ze (in tegenstelling tot Van Walsum) dat de feiten erop wijzen dat je in Nederland positieve identificatie met zeehelden al jong krijgt aangeleerd. Ze maakt niet duidelijk of ze 'identificatie' in psychologische of literaire zin bedoelt, maar een kniesoor die daarop let. Met enkele voorbeelden probeert ze haar gelijk aan te tonen. Als ze Popper kende zou ze weten dat die positieve voorbeelden niets bewijzen, terwijl de observaties van Van Walsum zo'n theorie wel kunnen ontkrachten.

Erger is dat haar voorbeelden haar theorie niet ondersteunen. Zo zegt ze dat Schooltv aan kinderen uitlegt waarom Michiel de Ruyter de grootste zeeheld uit de geschiedenis is. In de inleiding van het filmpje zegt de presentator iets heel anders, namelijk dat hij 'in zijn tijd' een held was, en dat nog tegen wil en dank.

Maar inderdaad, een voice-over noemt hem verderop de grootste held uit de Nederlandse geschiedenis, en dat kan Pietserse betwisten. Maar kan ze dan uitleggen hoe zo'n school-tv-filmpje bijdraagt aan 'positieve identificatie' met zeehelden? Een oersaai filmpje met enkele pratende middelbare mannen? Welk jongetje of meisje denkt na dit filmpje: ik voel mij ook Michiel de Ruyter? Of bedoelt ze dat niet met positieve identificatie?

Andere voorbeelden. Van Walsum zegt dat de teneur van de Nederlandse geschiedschrijving zelfkritisch is. Het begrip Gouden Eeuw wordt volgens hem steeds vaker tussen aanhalingstekens geplaatst. Pieterse gaat hier op merkwaardige wijze tegenin. Zo noemt ze titels van tentoonstellingen in Nederlandse musea met de woorden Gouden Eeuw zonder aanhalingstekens. Alsof Van Walsum die aanhalingstekens letterlijk bedoelde! En alsof er ook maar enige reden is om het begrip Gouden Eeuw tussen aanhalingstekens te plaatsen als je Vermeer, Rembrandt, Hals, Leijster en de Ruijsdaels in je collectie hebt. Of, om bij Pieterses vak te blijven: het was ook de eeuw van Vondel, Huygens, Spinoza, Bredero en Hooft. Ook heeft ze kennelijk niet door dat zij zelf een voorbeeld levert van wat Van Walsum bedoelt met die aanhalingstekens: ze gebruikt ze constant.

Een van de genoemde musea heeft trouwens een artikel op de website over de behoefte aan helden die Nederland in bepaalde, onzekere tijden had, en hoe De Ruyter daarvoor steeds gebruikt werd door steeds andere aspecten van hem uit te lichten. Dat is van dat museum vele malen genuanceerder en wetenschappelijker dan kletskoek over positieve identificatie. Wetenschappelijk gezien zou het interessant zijn om te onderzoeken of dat nu weer het geval is.

Het bontst maakt Pieterse het als ze Van Walsums stelling over de zelfkritische geschiedschrijving te lijf gaat met reclameteksten voor een speelfilm over De Ruyter. Niet alleen verwart ze geschiedenis met productmarketing, maar ook kent ze kennelijk het verschil tussen feit en fictie niet. Je gaat de stelling dat mensen kunnen vliegen toch ook niet bewijzen met Peter Pan en Harry Potter?

Ze noemt die film 'alweer de vierde speelfilm die de laatste tien jaar over Nederlandse 17de-eeuwse 'helden' werd gemaakt'. Welke andere drie ze bedoelt vertelt ze er niet bij. Na heel lang zoeken kwam ik op Nova Zembla en Kenau, al spelen die zich beide in de 16de eeuw af. En vier films in tien jaar: dat is nog niet één procent van de filmproductie, niet één promille van het aantal vertoonde films, en de bezoekersaantallen van die films samen vallen in het niet bij die van Gooische vrouwen.

Je vraagt je af wat die literatuurwetenschappers eigenlijk doen. In haar artikel van 24 augustus geeft Pieterse voorbeelden van zulk onderzoek: de functie van leesclubs, de vraag of literatuur het empathisch vermogen van de lezer vergroot, de relatie tussen literatuur en ons collectief geheugen en de vraag wat literatuur tot literatuur maakt. Allemaal onderwerpen waar ook Karel van het Reve zich voor zou interesseren. Helaas is niet één van de door haar genoemde onderwerpen te vinden op de sites van de universiteiten.

Van het Reve eindigde zijn Huizingalezing over de literatuurwetenschap door te stellen dat hij een beeld van grote ellende had geschetst. Veertig jaar later is het niet veel beter.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.