Opinie Restitutiecommissie

Maak Restitutiecommissie minder kwetsbaar

Niet alle kritiek op de Restitutiecommissie is terecht. Er is wel behoefte aan duidelijkere regels, betoogt Tabitha Oost, die aan de UvA promotieonderzoek doet naar restitutiebeleid.

Odalisque van Matisse (1921) in het Stedelijk Museum in Amsterdam is een van de als mogelijke roofkunst geïdentificeerde kunstwerken. Beeld AP

Op dit moment wordt een felle discussie gevoerd over de Nederlandse Restitutiecommissie. De kritiek is onder meer dat ten onrechte het museale belang wordt meegewogen en dat in het algemeen het afwegingskader strenger is gemaakt. Het probleem is echter complexer dan dat. Het is vooral de institutionele vormgeving die de commissie kwetsbaar maakt, een structureel probleem dat onderkend moet worden.

Deze kwetsbaarheid kent een historische verklaring. Na de Tweede Wereldoorlog was er de mogelijkheid om tijdens de oorlog ontvreemde eigendommen op te eisen. De zogenaamde Nederlands Kunstbezit-collectie (een verzameling van circa 3.800 kunstvoorwerpen met een ‘oorlogsverleden’, red.) bleef over na dit rechtsherstel, omdat deze werken niet of niet succesvol konden worden geclaimd. Door verjaring werd de staat eigenaar van deze werken.

Restitutiecommissie als rechtbank

Deze uitkomst werd onwenselijk geacht en heeft geleid tot een beleid waarin restitutie op morele gronden werd mogelijk gemaakt. Het was nadrukkelijk een beleidsoplossing: vanwege verjaring waren claims niet mogelijk. De achteraf beschouwd naïeve veronderstelling was dat ‘slechts’ 30 tot maximaal 50 zaken de revue zouden passeren en dat de restitutie-kwestie na vijf jaar zou zijn opgelost. Daarom werd bij simpel ministerieel besluit, zonder veel aandacht voor institutionele kwesties, een commissie in het leven geroepen die de minister zou moeten adviseren over restitutieclaims. De Restitutiecommissie was geboren.

Goedbedoeld, maar bij die sobere inrichting ligt de kiem van de kwetsbare institutionele vormgeving. De veronderstelling van ‘maar’ een gering aantal zaken en ‘korte’ beleidsduur ging niet op. Daarnaast besloot de regering dat de gehele Rijkscollectie in aanmerking zou komen voor restitutie. Ook kreeg de Restitutiecommissie een taak bij geschillen over voorwerpen die geen staatsbezit waren.

De ambitieuze uitbreiding van het takenpakket van de Restitutiecommissie zorgde voor een aanzuiging van zaken. Tegelijkertijd juridiseerden de claims. Grote Angelsaksische advocatenkantoren die op basis van no cure no pay opereren, verschenen ten tonele. Zij benaderden de Restitutiecommissie als een rechtbank. Waar de commissie uitdrukkelijk was bedoeld als laagdrempelige procedure zonder al te veel opsmuk, werd het gebrek aan duidelijke procedurele waarborgen ineens een gemis.

Gebrek aan duidelijkheid

Daarnaast waren in soortgelijke zaken verschillende beoordelingskaders van toepassing afhankelijk van de vraag of de werken in staatsbezit waren of niet. Het gevolg daarvan was dat in de ene zaak het museale belang niet en in de andere wel mocht meewegen. Het onderscheid is intussen opgeheven, met als resultaat dat het museale belang altijd mee mag wegen. Ten aanzien hiervan is terecht naar voren gebracht dat dit niet betekent dat in de procedure het belang van het slachtoffer uit het oog is geraakt. Niet onbelangrijk is daarnaast dat niet de Restitutiecommissie maar de minister de beoordelingskaders vaststelt. Ook gelet op de honderden werken die wel gerestitueerd zijn doet de huidige kritiek op de Restitutiecommissie het Nederlandse restitutiebeleid te kort.

De huidige discussie laat wél zien dat het gebrek aan duidelijke institutionele regels en procedures voor veel ruis op de lijn zorgt. Het gevolg is dat iedere beslissing inzake restitutie tot op zichzelf terechte kritiek leidt. Dat leidt af van datgene waarvoor de Restitutiecommissie in het leven is geroepen. Het bieden van een heldere wettelijke structuur met eenduidige normen, zou de beslissingen van de Restitutiecommissie (maar ook slachtoffers en musea) meer recht doen nu het geval is.

Tabitha I. Oost is docent aan de UvA en onderzoekt het restitutiebeleid hier en in andere landen.

Meer opinie over roofkunst

Geef alle roofkunst terug aan nazaten Om onder claims op door nazi’s geroofde kunst uit te komen, worden oneigenlijke argumenten gebruikt, schreef advocaat Gert-Jan van den Bergh al in 2015.

Roofkunst terugkrijgen wordt steeds lastiger Het inruilen van het ‘aannemelijk maken’ voor hard bewijs maakt claimanten van roofkunst kansloos, betoogt historicus en auteur Gerard Aalders.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden