Maak ouders niet tot zondebok van narcistische jongeren

Er is geen reden om ouders de schuld te geven van de populariteit van mentale ziektelabels.

Beeld An-Sofie Kesteleyn

Toen de psychoanalyse het denken over opvoeding nog domineerde, kregen moeders altijd de schuld van wat mis ging in het leven van een kind. Ze dienden permanent beschikbaar te zijn voor hun kroost en altijd sensitief te reageren op hun gevoelens en behoeften. De theorie van de gehechtheid, voortgekomen uit de psychoanalyse, heeft deze eisen voorzien van een theoretisch fundament. Een veilige gehechtheid van een jong kind aan zijn verzorgers werd voorwaarde voor een gezonde emotionele ontwikkeling.

Zo kreeg de vroege kindertijd een groot gewicht. Sinds jonge moeders niet meer stoppen met werken na de geboorte van het eerste kind delen zij, naast de zorg, ook het lot van zondebok met vaders. Zo zet klinisch psycholoog en psychotherapeut Jan Derksen beide ouders in de beklaagdenbank in zijn opiniestuk 'Narcisme en onzekerheid te wijten aan opvoeding' (O&D, 28 december).

Derksen wijt de groeiende vraag naar geestelijke gezondheidszorg van (jong)volwassenen aan een toegenomen innerlijke onzekerheid over de eigen identiteit als gevolg van het 'verdunnen van de gehechtheid'. Die zou het gevolg zijn van een te groot aantal verzorgenden met wie een jong kind tegenwoordig te maken heeft.

Hij doelt op crècheleidsters en legt daarmee de schuld van de 'verdunning' bij ouders die hun kinderen aan hen toevertrouwen. Een diepgaande gehechtheid aan niet meer dan twee personen zou de mentale gezondheid het beste dienen. De oplossing zoekt hij in een bevallingsverlof van ten minste een jaar voor beide ouders samen, zoals in enkele Scandinavische landen is gerealiseerd.

Ik deel zijn voorkeur voor een langer bevallingsverlof dan de schamele acht weken voor een Nederlandse vrouw en de bizarre twee dagen voor haar partner. Maar anders dan hij verwacht ik niet dat daarmee het probleem van de almaar groeiende vraag naar een psychodiagnostisch etiket zal verdwijnen. En evenmin dat het terugdringen van de rol van professionele opvoedsters een narcistische identiteitsvorming kan voorkomen.

Meer recent gehechtheidsonderzoek heeft de inbreng van derden juist als waardevol bestempeld, zolang het gaat om een langdurige en intensieve relatie en niet om een passant in het kinderleven. De gesubsidieerde kinderopvang heeft in de afgelopen 25 jaar hard gewerkt om aan die voorwaarde te voldoen.

Derksen verbindt het groeiend gebruik van 'hulpkrachten' in de opvoeding met de neergang van de zuilen. Die hielpen mensen te weten wie ze waren, ze boden een stevige verankering, zo betoogt hij. Dat verband is echter niet houdbaar. Er ligt, ten eerste, een flinke tijdspanne tussen het moment waarop de zuilen begonnen in te storten (midden jaren 60) en dat waarop de kinderopvang uitgroeide tot meer dan een marginale voorziening (de jaren 90).

Ten tweede omvat een identiteit meer en andere inhoud dan het weten bij welke groep je hoort. Toen kerken hun invloed verloren, kwamen daar andere, vrij gekozen groepsbindingen voor in de plaats. Jongerenculturen met eigen muziek, kleding en omgangsvormen zijn een voorbeeld. Die bieden herkenning en verbondenheid, maar ook plezier, vriendschap en vorming voor het leven.

Het tanend gezag van kerken en andere traditionele organisaties heeft volgens Derksen een nieuwe, permissieve opvoedingsstijl gebracht. Die zou onvoldoende uitdagen en frustreren, met als gevolg de hang naar een psychiatrische diagnose. Dat moge zo zijn, maar er is veel reden aan te nemen dat een overwegend toegeeflijke opvoedstijl zich steeds tot een kleine minderheid van de ouders heeft beperkt, zoals de hippies van de roerige jaren 60 en 70.

De meerderheid volgde de dominante leer en daarin ging het om een mix van welwillend begrip en vriendelijk grenzen stellen. Die stijl wortelt in de Verlichting en is dus heel wat ouder dan de jaren 60. Alleen beperkte ze zich lange tijd tot verlichte kringen. Flinke en deugdzame kinderen, die tegenslag konden overwinnen, domineerden de pedagogische literatuur, ook de vrijzinnige. Slechts geleidelijk verschoof dit beeld, onder invloed van Romantiek en psychoanalyse, richting kwetsbaarheid. Maar het ideaal van een welwillende en vriendelijke opvoeding bleef, terwijl de kerken een strengere aanpak voorstonden.

Wat echt nieuw is sinds de jaren 90 is de grote schaal waarop de psychopathologisering van het alledaagse leven gestalte krijgt. Daarin zijn we Freud ruimschoots voorbijgestreefd. Maar dit proces is niet het gevolg van een verkeerde opvoeding.

Ik zie twee oorzaken. Ten eerste het in de psychologie dominante breindenken, dat optimalisering van het functioneren beoogt, maar tegelijk speurt naar afwijkingen van het normale. Oefening van emotieregulatie en menselijke interactie staan daarin aan de zijlijn, zoals Derksen zelf elders heeft betoogd. Ten tweede de biologische psychiatrie. Zij biedt een pil voor alle mentaal ongerief en heeft daarmee een cultuur gecreëerd waarin suboptimaal niet goed genoeg is. Sleutelen aan jezelf werd de norm en een psychiatrisch label vormt de toegang tot verzekerde zorg.

Dat mensen daar onzeker van worden laat zich raden, maar het is niet de schuld van de ouders. Die zijn zelf onzeker gemaakt door de boodschap van deskundigen dat er veel mis kan gaan in de opvoeding en dat een normale, liefst optimale ontwikkeling het hoogste doel is.

Deze op zelfontplooiing gerichte opvoedingsleer heeft in de jaren 70 niet alleen die van de kerken vervangen, maar ook het verlichte opvoedingsideaal, en ze heeft er geen nieuwe waarden voor in de plaats gesteld. Ze leert het belang van vriendelijke en redengevende begrenzing, naast sensitieve ondersteuning bij de ontwikkeling.

Deze stijl is, althans in theorie, niet meer toegeeflijk dan de oude, verlichte variant. Dat veel moderne ouders in de praktijk meer moeite hebben met het stellen van grenzen (nee zeggen en handhaven waar het belang van het kind dat vraagt) dan met het toegeven aan kinderwensen, sluit ik niet uit.

Toch toont onderzoek aan dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse ouders het verlangde evenwicht daartussen weet te vinden. Reden genoeg om ouders niet de schuld voor de populariteit van mentale ziektelabels in de schoenen te schuiven.

Nelleke Bakker schreef o.m. Kwetsbare kinderen. De groei van professionele zorg voor de jeugd (Van Gorcum, 2016).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden