Column Medisch beroepsgeheim

Maak het ­medisch beroepsgeheim werkbaar, want het wordt nu zelf een risicofactor

In de psychiatrische hulpverlening is de verhouding tussen patiëntrechten en publieke veiligheid zoek, betoogt Hjalmar van Marle. 

Politieagenten ondervragen passanten in het gebied waar een 56-jarige vrouw op gewelddadige wijze om het leven is gekomen. Het lichaam van de vrouw werd op het Galgenpad in de Scheveningse Bosjes aangetroffen. Thijs H. wordt ervan verdacht dat hij de vrouw heeft gedood. Beeld ANP

Waarschijnlijk heeft opnieuw iemand met recente contacten met een psychiatrische instelling één of meer voorbijgangers gedood. De zaak mag niet opnieuw verdwijnen in de massa van klachten over de geestelijke gezondheidszorg (ggz). Dat ondermijnt het vertrouwen van de samenleving in de handhaving van de publieke veiligheid bij de psychiatrische opvang van psychisch gestoorde geweldsmisdadigers. De maat was al vol in 2015, toen de commissie-Hoekstra zich boog over de gang van zaken bij een vergelijkbare meervoudige doding. Toen werd betere communicatie geadviseerd tussen de betrokken partijen: gemeente, ­politie, Openbaar Ministerie en ggz-instellingen. Het OM moest meer de regie nemen, ggz-hulpverleners werd aangeraden ‘zorgvuldig maar niet rigide’ om te gaan met hun beroepsgeheim en te luisteren naar waarschuwingen van familieleden. Ook moest de ggz meer participeren in het Veiligheidshuis (waarin gemeentelijke instanties samenwerken tegen criminaliteit en overlast), wat die niet of onvoldoende deed, juist vanwege dat ­beroepsgeheim. Een voorstel tot verplichte observatie van drie dagen voor ‘verwarde personen’ werd, wegens verzet uit ggz-kring, niet opgenomen in de Wet verplichte ggz. Openbaar agressief gedrag werd gedemedicaliseerd: ‘verwardheid’ werd ‘overlast’ – die is voor de politie.

Verantwoordelijkheid

Wat is nu de verantwoordelijkheid van met name de psychiatrie, die het vermogen heeft gestoorde mensen tegen hun wil op te laten nemen in een psychiatrisch ziekenhuis? Telkens blijkt bij geweld door psychisch gestoorden dat in de contacten met de psychiatrie hun gevaarlijkheid is onderschat. En door het rigide karakter van het beroepsgeheim, werd onderling niet gemeld dat een potentieel gevaarlijke cliënt buiten de instelling verbleef. Meestal ging en gaat het goed, maar terecht zegt men: één geval van ernstig geweld is al te veel.

Het beroepsgeheim is een groot goed, een pijler onder de medische zorg: iedereen moet de zorg krijgen die nodig is en daarvan niet worden weerhouden uit angst elders bekend te worden. Niettemin: datzelfde beroepsgeheim maakt de ggz ook tot een slechte gesprekspartner, want in elk gesprek of overleg staat de virtuele barrière van het beroepsgeheim, soms tot grote frustratie van de gesprekspartners. Er mag niet over patiënts belangrijkste kenmerken gesproken worden, tenzij er acuut gevaar is. Terwijl er zwarte lijsten zijn van lastige horecabezoekers of verzekeringsfraudeurs, zijn die er niet van mensen met psychische geweldsproblematiek: ‘want dat is medisch’.

In de psychiatrie bestaat eerder de tendens tegen gewelddadige patiënten een aanklacht in te dienen bij de officier van justitie om een strafeis kracht bij te zetten. Sterker: de Wet forensische zorg, per 1 januari dit jaar, geeft de strafrechter de mogelijkheid geweldsmisdadigers een zorgmachtiging op te leggen om die in een psychiatrische instelling te laten behandelen. Terecht, want behandeling vermindert het risico op een herhalingsdelict veel meer dan gevangenisstraf. Maar er komen dus wél meer gevaarlijke patiënten in een ggz-regime, en die krijgen ooit allemaal verlof.

Omgang beroepsgeheim

Daarom past de huidige omgang met het beroepsgeheim niet meer. Psychiatrische patiënten hebben terecht meer rechten dan weleer. Dat de behandeling in de psychiatrie vooral in de maatschappij wordt uitgevoerd, is voor velen een groot goed. Maar voor patiënten die periodiek gewelddadig zijn, werkt dat niet.

Voor agressieve patiënten geldt dat met hun dossiers niet anders mag worden omgegaan dan met die van anderen. Omgekeerd wordt het tuchtrecht door hen gebruikt om hun behandelaars en directeuren onder druk te zetten, en zo beperktere informatievoorziening aan derden af te dwingen: zie het recente geval van ­Michael P. in de zaak-Faber. Nu het ­gewoonte wordt meer gewelddadige patiënten in de psychiatrie op te ­nemen in plaats van te detineren – en er aan hen wordt gesleuteld in plaats van dat ze louter worden bewaakt – raakt het evenwicht tussen individuele geheimhouding en het voorkomen van publiek gevaar zoek. Het ­beroepsgeheim wordt nu zelf ook een risicofactor.

Een ‘zorgvuldig maar niet rigide’ omgaan met het beroepsgeheim zal moeten worden gevat in nieuwe richtlijnen en protocollen, wil de vrees overwonnen worden om het ­beroepsgeheim te overtreden en te verliezen bij het Tuchtcollege. Gezien de grote moeite die de Tweede en Eerste Kamer met dit onderwerp de laatste jaren hebben gehad, zal niet direct een oplossing worden gevonden. Maar de tijd dringt.

Hjalmar van Marle is em. hoogleraar forensische psychiatrie in Rotterdam en Nijmegen en oud geneesheer-directeur van het Pieter Baan Centrum.

Had de kliniek niet meteen de politie moeten bellen toen Thijs H. met bloed op zijn kleding terugkeerde?

De personeelsleden van een ggz-kliniek hadden al het vermoeden dat Thijs H. twee wandelaars op de Brunssummerheide had vermoord. Toch sloegen ze pas alarm toen H. een dag na de moord uit de kliniek vertrok. Is het medisch beroepsgeheim te strikt?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden