'Lilianne Ploumen is een beetje Bernhard en een beetje Jan Pronk'

Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nam vandaag deel aan de Volkskrant op zondag in De Rode Hoed in Amsterdam. Onderwerp van debat was de vraag: hulp of handel? Economieredacteur Peter de Waard van de Volkskrant begon de bijeenkomst met onderstaande column. Het debat kunt u hier terugzien.

Minister Lilianne Ploumen in de Tweede Kamer.Beeld anp

Liliane Ploumen is een beetje prins Bernhard en een beetje Jan Pronk. In die volgorde. Ze is tenslotte minister van Buitenlandse Handel en vervolgens Ontwikkelingssamenwerking.

Dat zou pakweg dertig jaar geleden een onmogelijke combinatie zijn geweest. Een minister van Ontwikkelingssamenwerking ging in spijkerbroek met morsig overhemd in een aftandse jeep langs hutten in Afrika met in zijn of haar gevolg enkele grenzeloze artsen en ontwikkelingswerkers in Che Guevara T-shirts. Een staatssecretaris voor Buitenlandse Handel ging met een grote handelsdelegatie vol topshots van Heineken, Boskalis en Shell in strak pak naar een oliestaat of een Aziatische tijger. Om zijn status wat te verhogen en orders binnen te halen mocht hij zich minister noemen, zodat, als de monarch niet mee kon, er toch deuren opengingen.

In de delegatie van ontwikkelingssamenwerking werd altijd geklaagd over de multinationals van de buitenlandse handel, terwijl de in een vijf sterrenhotel verblijvende delegatie van buitenlandse handel klaagde over linkse actievoerders van de ontwikkelingssamenwerking die hun klanten wegjoegen.

En nu is er een minister van Ontwikkelingshandel. De minister hier moet ongetwijfeld een gespleten personage zijn die een PvdA-hart combineert met een VVD-verstand. Minister Ploumen ging, geloof ik, anderhalf jaar geleden in paars mantelpakje naar Ethiopië in een delegatie met grenzeloze artsen en andere figuren van de ngo's, plus topshots van Heineken die bier wilden slijten aan mensen die tien jaar geleden nog hongerden, en rozenkwekers die ze bloemen willen laten telen in plaats van graan te verbouwen. Ik ben benieuwd of er aan de bar van het hotel met bier en nootjes werd gegooid.

Kwestie van tijdsgeest

Dat ontwikkelingssamenwerking überhaupt kan worden gecombineerd met buitenlandse handel is een kwestie van de tijdsgeest. Het moet de rechtse populisten a la Wilders c.s. electorale munitie uit handen slaan. Die vinden dat ontwikkelingshulp eigenlijk als vorm van geldverspilling moet worden afgeschaft, of het redden van levens in de hoorn van Afrika weggegooid geld zou kunnen zijn.

Rutte II is pragmatisch en de PvdA is zo pragmatisch dat ze virtueel nog maar 10 zetels over heeft. Door hulp en barmhartigheid ondergeschikt te maken aan de handel kan hulp worden verkocht als exportbevordering. Dat houdt de VVD-achterban rustig, maar maakt het sociale hart van de PvdA onzichtbaar.

Sommige instanties zoals Oxfam roepen dat de tijd hiermee 50 jaar wordt teruggedraaid tot voor 1965 toen ontwikkelingssamenwerking zaak was van de missie en zending. Pastoors riepen hun parochianen op veel te roken en het zilverpapier uit de pakjes in te leveren voor liefdadigheid, zodat de missionarissen in hun roeping zieltjes te bekeren zwartjes met een bak rijst konden omkopen.

Ontwikkelingshulp begon pas in 1965 toen de eerste signalen van secularisatie zichtbaar werden. In dat jaar werd Theo Bot, de vader van Ben Bot, de eerste minister voor Ontwikkelingshulp. Verstandige onderwijzers vertelden hun klas dat 'we mensen in de arme landen beter konden helpen door ze geen vissen te geven maar door ze te leren vissen'.

Vijf jaar later werd een concrete doelstelling voor die hulp vastgelegd. De rijke westerse landen spraken binnen de OESO af 0,7 procent van het bbp aan hulp te geven zodat arme landen in de vaart der volkeren zouden opstoten. De arme landen werden snel daarop 'onderontwikkelde landen', 'ontwikkelingslanden' en 'de Derde Wereld'.

Een steeds mooier eufemisme betekende lang niet altijd een stap vooruit. In de praktijk bleven de geleverde hengels en netten echter vaak ongebruikt of werden doorverkocht. Vaak eindigde het geld in de zakken van corrupte bestuurders. Idealisten als Jan Pronk dachten door het selecteren van de juiste regimes - meestal linkse - ook een juiste bestemming van het geld te verzekeren. Maar burgeroorlogen, staatsgrepen en etnische zuivering - tot en met de genocide in Rwanda aan toe - deden hem bij zijn comeback eind jaren tachtig ook van gedachten te veranderen. Ontwikkelingshulp op zichzelf bracht geen stabiliteit. Pronk zelf keerde het om. Nu moest eerst politieke stabiliteit gecreëerd worden als voorwaarde voor hulp.

Onder de Paarse kabinetten van Kok bleef Nederland een leidende natie op het gebied van ontwikkelingssamenwerking. Maar met de opkomst van de nieuwe populistische stromingen - eerst Fortuyn en later Wilders - veranderde dat. In 2002 in Balkenende I degradeerde de minister voor Ontwikkelingssamenwerking tot staatssecretaris. Dankzij de Millenniumdoelstellingen en Live Aid kon nog even op de oude voet worden door gemarteld. Maar met Rutte II is ontwikkelingshulp zo dienend aan het eigenbelang geworden dat Bill Gates af en toe in Den Haag de noodklok komt luiden.

Het voordeel van het koppelen van buitenlandse handel aan ontwikkelingssamenwerking was wel dat de staatssecretaris weer kon promoveren tot minister. En dat is goed voor het bezoekcijfer van de Volkskrant op Zondag.

1 procent extra groei

De vraag is of het mes ook aan twee kanten kan snijden. De geleerden zijn het daar niet over eens. Nederland levert op drie manieren ontwikkelingshulp: via unilaterale instellingen (EU en VN), via NGO's (Cordaid) en bilateraal. Dus eigenlijk kan maar op eenderde van die hulp ook op exportorders worden gericht.

De minister schreef eerst zelf dat van elke euro ontwikkelingshulp ruim een euro terugkomt. Door het ministerie van Buitenlandse Zaken werd dat later gerelativeerd. Inspectie Ontwikkelingssamenwerking, IOB, de rekenmeesters van Buitenlandse Zaken, kwamen uit op 70 tot 90 cent van elke euro die via orders terugkomt. En omdat een deel weglekt naar het buitenland (inkoop onderdelen) is dat eigenlijk maar 40 tot 55 cent. Er zijn andere studies die een nog veel lagere exportopbrengst melden: 0,10 tot 0,40 euro extra exportwinst per uitgegeven ontwikkelingshulpeuro

Het doet eigenlijk niet terzake. In een mondiale wereld zijn ontwikkelingslanden en donorlanden tot elkaar veroordeeld. Ontwikkelingshulp levert in Afrika 1 procent extra groei op. Dat lijkt een klein deel van de 6 of 7 procent die deze landen de laatste jaren groeien, maar het is wel een stabiel deel. Dit creëert nieuwe markten aan de vraagkant op een moment dat het niet lukt de vraag in Europa en de VS zelf nog aan te zwengelen.

Belangrijker nog: de enige manier om massa-immigratie tegen te houden is meer welvaart daar te creëren. Anders zullen miljoenen Afrikanen in de Middellandse Zee verdrinken als we ze in Europa niet of maar mondjesmaat zullen toelaten,

Ontwikkelingshulp is hoe dan ook eigen belang. Dat het nu gebeurt onder het motto Trade not Aid - of Hulp is Passé, de Handel is de toekomst - is eigenlijk een vorm van privatisering van een publieke taak. In dat opzicht wordt de tijd vijftig jaar teruggedraaid. Toen gaven de kerken geld in ruil voor nieuwe zieltjes, nu de bedrijven in ruil voor nieuwe markten.

Gelukkig kijkt deze minister streng toe.

Kijk De Volkskrant op zondag hier terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden