Lijn 2

Zelden richt ik me rechtstreeks tot de lezer. Maar nu maak ik een uitzondering.

Annemarie Oster

Zo stap je nog veerkrachtig door de PC Hooftstraat, zo zit je geslagen in lijn 2.

De middag is nog wel zo goed begonnen. Na een lunch op een terras in Amsterdam-Zuid met een vriendin die even hard om mijn grapjes heeft moeten lachen als ik om die van haar wandel ik mildgestemd in de richting van het centrum. De lentezon schijnt, de wind houdt zich gedeisd en ik zou mijn voettocht zeker hebben vervolgd als, bij het Rijksmuseum, die roerloze lijn 2 niet had gestaan. Als door een onzichtbare (iets te hooggehakte) voet gedreven loop ik toch maar in de richting van de halte. Op mijn dooie gemak. Hollen staat zo stom op een bepaalde leeftijd. Alsof je je zelf niet helemaal bij kunt houden.

De tram staat er nog steeds. Zal ik mijn hand opsteken om de schim achter het glas op mijn aanwezigheid te attenderen, zoals je oude heren wel ziet doen met hun stok of paraplu? Sommigen kijken er zo dreigend bij, dat zo’n bestuurder het wel uit zijn hoofd laat zijn deur dicht te houden: nog steeds bang voor vader. Maar voor moeder beduidend minder! Beter geen risico te nemen. Dames die vragen worden overgeslagen. En ach, mocht deze tram mijn neus voorbij gaan, dan komt er wel een andere: lijn 5. Soms sta ik versteld van eigen wijsheid.

Maar zie: sesam opent zich. Ik beklim het trapje, de ov-chipkaart gezagsgetrouw voor het daartoe bestemde apparaat, een dankbare blik opwaarts. Maar de gemillimeterde blondino achter het stuur verwikt noch verweegt. In het spiegeltje zie ik hoe zijn ontoegankelijke gelaatsuitdrukking enerzijds aan het gezicht wordt onttrokken, anderzijds versterkt wordt door een imitatie Ray-Ban. Vast een Wildersstemmer.

Maar dat zal ik later pas bedenken. (En nog zo wat machteloze epitheta.) Vooralsnog lach ik het spiegeltje allervriendelijkst toe: ‘Fijn dat u even hebt gewacht.’ Er valt een stilte waarin een tweede achterstallige passagier het trapje op komt zweven: een meisje met een zandlopersfiguurtje. Ik had haar niet gezien. De trambestuurder wel. Over zijn smalle lippen glijdt een langzaam lachje. Dan komt zijn antwoord, toonloos: ‘Op haar,’ en na een veelbetekenende stilte: ‘Het oog wil ook wat.’ Weer zwijgt hij even: ‘Nou, dan kon u er ook nog wel bij...’

Zelden richt ik me rechtstreeks tot de lezer. Maar nu maak ik een uitzondering. Welk appeltje zou deze trambestuurder met oudere, goed geklede mevrouwen in het algemeen of met mij in het bijzonder te schillen hebben gehad? Of, erger, was er niet eens sprake van een appeltje?

En wie (nooit wie, o wie zeggen) bedenkt de zin die ik, in plaats van zo ver mogelijk weg te kruipen achterin lijn 2, paraat had moeten hebben? De beste inzending gaat naar het GVB.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden