ESSAYBekwaam leiderschap

Liever dan een vaderfiguur leidt een bekwame herdershond het volk

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

Een herdershond die een deel van de kudde chronisch in de poten bijt is een slechte herdershond, zoals een regeringsleider met fascistische verleidingstechnieken een gevaar is voor zijn volk. Als zijn karakter deugt, komt het met de ideeën ook wel goed, stelt Arnon Grunberg.

In zijn boek Staat (Politeia) vergelijkt Plato leiders van een staat met herdershonden. Plato schrijft, in de vertaling van Gerard Koolschijn, dat regeringsleiders die ‘hun machtspositie misbruiken en op een brute, autoritaire manier optreden’ net honden zijn die de schapen niet beschermen tegen wolven maar ze ‘door gebrek aan beheersing, door honger of in het algemeen door een slecht karakter’ zelf opeten.

Een politicus die het volk ervan hoopt te overtuigen dat hij het in zich heeft om een uitstekende regeringsleider te worden zou zich moeten presenteren als iemand met een goed karakter, zelfbeheersing en voldoende eigen middelen om geen honger te hoeven leiden.

Toch laten politici zich zelden voorstaan op hun karakter, hooguit wil menig politicus graag ‘volks’ overkomen, de taal van het volk spreken en de indruk wekken dat je met hem prima een paar biertjes kunt drinken. En als het volk een kudde is die van leiders bescherming verwacht, is het inderdaad de vraag of een goed karakter afdoende is voor effectieve bescherming.

Jimmy Carter, de 39ste president van de VS, voerde in 1976 campagne met de woorden: ‘I’ll never tell a lie.’ (Ik zal nooit liegen.) Hij voegde eraan toe dat hij het vertrouwen van de bevolking nooit zou beschamen. Tegenwoordig zou men raar opkijken als een politicus beweert nooit te zullen liegen. Vermoedelijk zouden velen zo’n politicus niet eens vertrouwen. En toegegeven, Carter kon zich met succes op zijn karakter beroepen in het tijdperk na Nixon, die zich had ontpopt als een president die uitblonk in leugens en malversaties, eentje die de indruk wekte zich met graagte aan de kudde te vergrijpen.

De Amerikaanse filosoof Jason Stanley schrijft in zijn boek How Fascism Works – The Politics of Us and Them (Hoe fascisme werkt – de politiek van wij en zij) over wat aan dat vergrijpen voorafgaat.

Waar macht is, komt machtmisbruik voor, al zal dat niet altijd zo zijn genoemd. Naar democratische en huidige maatstaven gemeten zal het Franse hof zijn macht regelmatig hebben misbruikt en zich weinig hebben bekommerd om de kudde, hooguit om een deel ervan, de adel, en dat ook met tegenzin. Toch zou niemand het in zijn hoofd halen pakweg Louis XIV met terugwerkende kracht een fascist te noemen.

Het fascisme is bij uitstek een democratisch verschijnsel; de leider van een land die zijn leiderschap heeft verkregen door de voorzienigheid hoeft zich niet te bekommeren om de specifieke verleidingsstrategie die wij fascisme zijn gaan noemen. Mede daarom wordt af en toe het idee geopperd leiders aan te wijzen door middel van een loterij, een loterij mag immers ook voorzienigheid worden genoemd.

Het Franse volk onder Louis XIV had nog geen wil, al kon het al in opstand komen, bijvoorbeeld als de belasting, genaamd taille, te gortig werd, belasting die hoe dan ook voornamelijk werd geheven om oorlogen mee te bekostigen. De koning was er niet zozeer om het volk te beschermen, het volk was er om de koning te dienen.

De gedachte dat het volk een wil heeft die door middel van verkiezingen tot uitdrukking wordt gebracht, is betrekkelijk nieuw, een experiment eigenlijk.

Aan de ene kant wordt dat volk steeds serieuzer genomen. Het heeft even geduurd, maar uiteindelijk is het bijna overal doorgedrongen dat ook vrouwen een wil hebben en dus kiesrecht. Aan de andere kant doet men voortdurend pogingen die volkswil bij te sturen. Duitsland en Oostenrijk kennen bijvoorbeeld een kiesdrempel, officieel om versplintering in het parlement tegen te gaan, maar ook om ‘extreme’ elementen die uit die grote zee genaamd ‘volkswil’ boven komen drijven niet meteen al te zichtbaar maken waardoor ze nog groter kunnen worden. De kiesdrempel is geen eenduidig succes. Amerika zet bij de verkiezingen kiesmannen in, een systeem dat dunbevolkte staten bevoordeelt, waardoor een presidentskandidaat de meeste stemmen kan halen en toch de verkiezingen kan verliezen, zoals Gore in 2000 en Clinton in 2016. Het mag duidelijk zijn dat de vraag wat volkswil is al snel neerkomt op de vraag wie of wat het volk eigenlijk is — geen ongevaarlijke vraag.

De Franse filosoof Claude Lefort stelt, in mijn ruwe samenvatting, dat we het idee van volkswil vooral niet te letterlijk moeten nemen, dat met name een parlementaire democratie juist op een symbolisch niveau functioneert. Het volk kiest vertegenwoordigers, niet om die de wil van ‘hun deel’ van het volk letterlijk tot uitdrukking te laten brengen, maar in de hoop dat die wat rustiger, bedaarder, kalmer en wijzer zijn dan het volk doorgaans zelf.

Stanley wil duidelijk maken hoe fascisme groeit op democratische bodem, waar het begint, niet waar het eindigt. En niet elk kenmerk afzonderlijk wijst uiteraard al op fascisme.

null Beeld Joost Halbertsma
Beeld Joost Halbertsma

Om te beginnen is daar de neiging het verleden te mythologiseren en voor te stellen als iets paradijselijks, totdat indringers kwamen die dat paradijs vernietigden. In de fascistische retoriek zijn het juist niet alleen andere staten maar vrijwel altijd elementen in het eigen volk die voor verrotting en afkalving hebben gezorgd.

Er wordt nadruk gelegd op slachtofferschap, bij de mythologisering van het verleden hoort de mythologie van het slachtofferschap, die agressie moet legitimeren. Om niet weer opnieuw slachtoffer te worden of om dat te blijven, moeten al dan niet metaforische wapens worden opgepakt, het slachtofferschap legitimeert agressie. Natuurlijk is slachtofferschap niet altijd een mythe, maar de verheerlijking ervan mondt vrijwel altijd uit in rancune en agressie.

Stanley heeft het over unreality, onwerkelijkheid, als een ander kenmerk. Oftewel, een chronisch gebrek aan respect dan wel een al te fantasierijke of eenzijdige interpretatie van feiten. Neem terrorisme: niemand ontkent het bestaan ervan, vrijwel niemand ontkent dat het afkeurenswaardig is, maar de reactie op het terrorisme, de interpretatie van de feiten, heeft voor minstens zo veel, misschien wel meer schade gezorgd dan het terrorisme zelf.

Ook schrijft Stanley over het patriarchaat, een containerbegrip en allicht wat misleidend. Zeker is dat de fascistische verleiding die van de sterke man is, de grote vader, die het volk omhoog gaat stuwen in de vaart der volkeren en de vijanden van het volk zal verslaan, wat veelal neerkomt op het verdrijven van onzuivere elementen. In die vaderfiguur die leider is, zit iets van machismo. Het is veelzeggend genoeg dat volgens opiniepeilingen Trump vandaag zou worden herkozen als alleen mannen zouden stemmen, en we weten zeker dat hij nooit was gekozen als alleen vrouwen hadden gestemd in 2016.

Met dit alles is natuurlijk niet gezegd dat het mannelijke inherent fascistisch is, noch dat het vasthouden aan traditionele gezinssamenstellingen bedenkelijk zou zijn.

Een ander symptoom is anti-intellectualisme en minachting voor wetenschap; waar feiten niet tellen en het verleden half verzonnen mag worden moet iedereen die probeert aan waarheidsvinding te doen wel als vijand worden voorgesteld. Het zoekende karakter van de wetenschap is de sterke man, die niet zoekt maar weet, een gruwel.

Waar al deze elementen tegelijk opduiken in een partij of een persoon is er sprake van gevaar, in de eerste plaats voor de kudde zelf.

Ik vraag me af of karakter genoeg wordt gewaardeerd in politici, of karakter de rol speelt in campagnes die het zou moeten spelen. De illusie van daadkracht, verleidingskracht, het vermogen op te zwepen en emoties te genereren, wat likability wordt genoemd, dat alles is nog geen karakter. Om een minder voor de hand liggend voorbeeld te geven: Sarkozy is een man met een dubieus karakter, hij bleek een dubieuze president te zijn. Merkel is geen heilige, wie machtspolitiek begrijpt kan geen heilige zijn, en zij heeft ook foute beslissingen genomen, maar haar karakter is onomstreden. Niet Merkel komt op de eerste plaats, maar de kudde. Bij veel hedendaagse regeringsleiders is dat andersom.

Misschien moeten we de metafoor van Plato weer serieus gaan nemen. De regeringsleider is een herdershond die de kudde beschermt, waarbij duidelijk moet zijn dat de hond de kudde niet tegen alles kan beschermen; maar een herdershond die een kudde uiteendrijft of een deel van de kudde chronisch in de poten bijt, is een slechte herdershond.

Aan het woord ‘volk’ kleeft iets mythisch, iets onaangenaams. Een kudde graast nu eens hier, dan weer daar, een schaap kan van kudde verwisselen. Zou het niet beter zijn het vanaf nu over de Nederlandse kudde te hebben, de Amerikaanse kudde, de Duitse kudde?

Ik hoop dat de Nederlandse kudde bij de verkiezingen volgend jaar een herdershond kiest met een goed karakter. Ideeën moeten niet overschat worden, als het karakter deugt komt het met de ideeën ook wel goed.

De SP is niet mijn partij, maar iemand als Emile Roemer heeft mij altijd een uitermate deugdelijke herdershond geleken. Ik zou hem zo in huis halen om me te beschermen, al geloof ik dat hij tegenwoordig burgemeester is.

Laten we ophouden een vader te zoeken in onze leiders, laat de Vatersuche niet meer op politiek niveau plaatsvinden. Een bekwame herdershond die zich verantwoordelijk voelt voor de hele kudde, en die zich bewust is van wat een hond kan en wat hij niet kan – meer hoeft leiderschap niet in te houden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden