ColumnPeter Buwalda

Lezen kan religieuze vormen aannemen

Ik heb twee coronavrienden, de een heet Mike, de ander Frits.

Mike is mijn jongste broer. Hij is inmiddels 46, een flinke kerel al, maar het besef dat ik twee jaar ouder ben, raken we nooit meer kwijt. Een goede zaak, twee jaar is niet niks, Mike moet niet vergeten dat ik meer levenservaring heb, alles beter weet, en ook sterker ben, fysiek.

Frits, onze gemeenschappelijke vriend, is F.B. Hotz, de illustere schrijver van korte verhalen, overleden in 2000, maar deze week wederopgestaan, hier ten kastele tenminste, maar ook in Venlo, waar Mike woont. Sinds we niet meer naar de bridgeclub hoeven en de straatbarbecue is afgelast, storten we ons avond aan avond op Hotz’ verhalen, simultaan en in nauw overleg.

Mijn idee, overigens, omdat ik ouder ben kende ik Hotz al wat beter, begin dit jaar las ik eindelijk eens Proefspel, dat ik al jaren van adres naar adres verhuisde, maar nooit eens opensloeg.

Nou, dat was goed raak. Geniaal proza blijft het doen, maakt niet uit hoelang je ermee wacht. (‘Alsof er aan het literaire spectrum een kleur ontbrak of onthouden was’, appte ik Mike nog voor we een letter gelezen hadden, ‘die alleen Hotz bezat. Hotz wás die kleur’, met erbij de paginanummers van Exit Ghost, de roman van Philip Roth waarin iemand (Zuckerman) precies dat opmerkt over E.I. Lonoff, een niet-bestaande verhalenschrijver die griezelig veel op Hotz lijkt, tot zijn naam aan toe, ik weet niet of andere Hotzlezers dat al eens is opgevallen. Zo niet, dan kom ik er volgende week misschien op terug.)

Mike en ik versterken elkaar, als we iets doen. Grondige voorbereidingen dus. Dood weermiddel, Hotz’ debuut uit 1976, klaarleggen, uitvoerig fotograferen, binnenwerken vergelijken (Mike had zijn exemplaar schoongemaakt met glassex en een doekje, dus wilde ik dat ook, en nu zit ik eraan vast: boeken poetsen), vooraf telefonisch uitvoerig de werkwijze doornemen. Twee verhalen per avond moest kunnen, grondig lezen, geen haast, beginnen meteen na de vaat. Tijdens het lezen geen ge-app, alleen in noodgevallen. Na ieder verhaal overleg.

‘Sterren of rapportcijfers?’

‘Laatste, lijkt me.’

‘Niks achter de komma, dan.’

‘Wel minnen en plussen.’

‘Oké. Maar horen nul-min en tien-plus er dan ook bij?’

‘Mijn gevoel zegt van wel, ja.’

Daar gingen we. Een week lang iedere avond Hotz-time, ‘Hotzen’ werd een werkwoord, Hotzje-zeggen, Hotzje-doen. Een verhaal leek wel een interland. We wilden allebei dat Frits won, maar het lukte hem niet altijd even goed, natuurlijk. Erg spannend, steeds.

Soms voorvoelde iemand een tien, tijdens De tramrace bijvoorbeeld, en dan kwam het zelfgemaakte gothic filmpje van Hotz’ pasfoto achterop het boek van stal, in- en uitzoomend op zijn zwaarbebrilde gelaat, op de achtergrond verwrongen pianomuziek. Bij tanend enthousiasme spreken we katerig, met blote voeten naar bed, maar echt pijnlijk werd het zondagnacht, toen ik een tien-min (De gladiator) uitdeelde, en Mike een zeventje.

‘Wat?! Nee. Kom op. Nu serieus. Dit geloof ik niet.’ ‘Jawel, helaas.’ ‘Kom op, niet zo flauw. Dit is heel, heel belangrijk voor mij.’ ‘Voor mij ook, Peet.’

Wat je merkte: Frits was diep onder onze huid gekropen. We zaten tot diep in de nacht te bellen over een verhaal van twintig pagina’s, analytisch, met trekkende mondhoeken – en ten slotte tegen het religieuze aan, kan ik u melden. Bijna jammer dat Hotz het niet kon horen, zo veel ernstvuurwerk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden