Leve het rijke, bloeiende lokale politieke leven

Een verkiezingsbord in Amsterdam. Beeld ANP

In de analyse van de gemeenteraadsverkiezingen zijn veelvuldig de woorden ‘versnippering’ of ‘versplintering’ gebruikt. Het landschap is onherkenbaar veranderd heette het: lokale partijen zijn gezamenlijk verreweg de grootste geworden van de gemeenteraadsverkiezingen en de traditionele partijen verliezen alsmaar meer terrein.

Maar waarom zouden we deze ontwikkeling versplintering noemen en daarmee in een alarmerend en soms kwaad daglicht zetten? Deze framing doet onrecht aan de opkomst van het aantal politieke partijen in Nederland.

Het gebruik van ‘versplintering’ suggereert een verlies van of een verlangen naar orde en overzicht. Maar aan welk alternatief denkt dan men, eigenlijk? Een tweepartijenpolitiek zoals in de Verenigde Staten, met een vijandig klimaat waarbij de Nederlandse polarisatie verbleekt tot een woordenwisseling in de stiltecoupé? Of is er een verlangen naar eenheidspartijen à la Rusland en Turkije?

En ik maar denken dat het grote ideaal van onze moderne samenleving diversiteit en individualisme was – gesymboliseerd door de vrijheid van meningsvorming, identificatie en vereniging.

Misschien is de reden van een veelvuldig gebruik van ‘versplintering’ een gemis van de overzichtelijke ideologische orde uit de verzuiling. Daarin werd het politieke landschap gemonopoliseerd door de PvdA, VVD en het CDA, en waren de kruimeltjes voor de resterende splinterpartijen. De massapartij is goddank een relikwie uit de twintigste eeuw, een product van een andere samenleving, waarbij thema’s als onderwijs, arbeid en cultuur nog zoveel eenduidiger en overzichtelijker leken.

De huidige lokale politiek is veel diverser en vooral lokaler geworden. Geconcentreerd op de concrete gemeentelijke context. En zo hoort dat ook. Versplintering als een verrijking dus. Lokale politieke partijen schieten misschien als paddestoelen uit de grond, maar aan dat fenomeen kunnen niet zomaar allerlei apocalyptische kwalificaties geplakt worden. Zoals kiezers die op drift zouden zijn geraakt, of de teloorgang van de politiek door een banaal populisme.

Ik sprak een vriendin uit Den Haag en zij had uit volle overtuiging op

Richard de Mos gestemd; en in haar uitleg nam ze niet één keer ‘vreemdelingen’ of ‘islam’ in haar mond, maar wel ‘gemeentelijke financiën’, ‘verkeer’ en ‘woningnood’. Kiezers die zich in hun opties niet meer beperken tot de traditionele partijen kunnen gewoonweg niet meer als zwevend worden betiteld – ook zo’n negatief frame – maar mogen eerder als politiek zelfbewuster worden gezien.

‘Versplintering’ begrepen als lokaal-politieke verdeeldheid is evenzeer een misplaatste veronderstelling. Een gemeenteraad bestaande uit veel partijen met weinig zetels hoeft helemaal niet tot een instabiele raad te leiden. Het kan juist de deugd van samenwerking bevorderen, een prettige noodzaak die nu ook de regeringscoalitie in de Tweede Kamer ondervindt vanwege de kleine meerderheid van Rutte III.

Bovendien, lokale politiek is geen landelijke politiek. Raadsleden hebben niet als hobby elkaar de tent uitvechten. Ik heb er met genoeg gewerkt om te weten hoe pragmatisch en coöperatief zij zich meestal opstellen, juist vanwege een minder ideologische benadering en een concrete interesse in de gemeente waar zij zelf wonen.

Raadsleden vergroten niet per se meningsverschillen zoals nationale kopstukken in tv-debatten zo werktuiglijk doen. Op lokaal niveau staat overleg in het teken van concrete zaken, zoals het zwembad op de hoek, een gevaarlijk kruispunt of een desintegrerende school. In praktische beraadslaging vervagen ideologische verschillen al snel.

Op deze kunde lopen veel landelijke partijen vast. Het is dan ook geen toeval dat De Mos gebroken heeft met de PVV, want deze partij verzaakt al vele jaren een lokale achterban op te bouwen. De reusachtige achilleshiel van Wilders, die meende met een voortdurend salvo van alsmaar radicalere boodschappen de kiezer bij zich te houden. Hoe mis kon hij het hebben.

Starten bij de stam, zo is het ook ooit begonnen bij de traditionele volkspartij. Die is in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstaan uit de samenleving, via verenigingen en andere samenwerkingsverbanden. Maar met de technocratisering en globalisering van de politiek is dit politieke handwerk in de vergetelheid geraakt en zwaar onderschat. Dat heeft het GroenLinks van Jesse Klaver goed begrepen. Het is hard bezig met een brede beweging. PvdA’ers lijken daar geen zin meer in te hebben, of beter gezegd: die zijn dat verleerd door een jarenlange technocratische focus à la Samsom en Dijsselbloem. Geestelijk vader hiervan was Wim Kok: die kwam weliswaar uit de vakbond, maar kon nog geen muis bedienen.

De politieke partij zoals zij bijna 150 jaar heeft bestaan, met de macht strak vast in Den Haag en de vanzelfsprekendheid van trouwe satellieten in de regio’s, die is stervende. Maar laten we dat proces geen versplintering, maar een verrijking van het politieke landschap noemen. Politiek is weer terug bij waar ze vandaan komt: kleine gemeenschappen, waar mensen met hart voor de publieke zaak proberen om via gezamenlijke beraadslaging problemen aan te pakken.

Gerard Drosterij is politicoloog en eigenaar van Slow Politics.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.