Column Lotte Jensen

Leve de student die de moed heeft zijn docent te corrigeren

‘Waarom staan er zo weinig vrouwen op de lijst?’ Deze vraag stelde een eerstejaarsstudent Nederlands mij na afloop van mijn hoorcollege over schrijvers in de 18de eeuw. De student had een punt: van de zeven verplichte werken was er slechts een door een vrouw geschreven, of preciezer: door twee vrouwen. Alleen Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken stond op de lijst. Dit boek overtrof alle andere tezamen in aantal pagina’s, maar dat leek me een zwak weerwoord.

Canonvorming houdt niet alleen historici, maar ook letterkundigen bezig. En ook in dat vakgebied geldt: wat politici en commissies ook mogen voorschrijven, het draait er uiteindelijk om wat er in de praktijk gebeurt. Sinds de verschijning van het monumentale naslagwerk Met en zonder lauwerkrans (1997) weten we dat het wemelde van de schrijfsters in de vroegmoderne tijd. Denk aan Elisabeth Maria Post, Petronella Moens en Lucretia van Merken. Van Merken werd zelfs de vrouwelijke Vondel genoemd, omdat ze uitblonk in het schrijven van treurspelen.

Waarom had ik dan toch zo weinig vrouwen voorgeschreven? Het eerlijke antwoord is dat ik aan keuzestress lijd. Ik wil namelijk ook per se Poot, Van Effen, Feith, Paape, Van Alphen en Bilderdijk erop. En daarmee heb ik het maximale aantal boeken voor dit tijdvak bereikt. Tegelijkertijd ken ik mijn feministische klassiekers en weet ik dat canonvorming een precair proces is. De scheefgroei tussen de beide seksen is diep historisch geworteld.

In A Room of One’s Own (1929) kaartte Virginia Woolf de maatschappelijke ongelijkheid tussen schrijvende mannen en vrouwen aan. Hoe zou het zijn geweest als Shakespeare een zus met dezelfde talenten had gehad? Woolf betoogt dat Judith Shakespeare (zo noemde ze haar) nooit dezelfde kansen als haar broer zou hebben gekregen. Laat staan dat ze de canon zou hebben gehaald. Soortgelijke kritiek komen we tegen in de feministische bestseller Hilda van Suylenburg (1897) van Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk. Op zeker moment verzucht de hoofdpersoon: ‘Als Shakespeare de hele dag aan de wastobbe had moeten staan zou hij ook niet Hamlet hebben geschreven, en wie weet hoeveel vrouwen gedwongen zijn geweest om stil te zitten en verstellen, die voor iets groots geboren waren’. Hilda van Suylenburg heeft de canon trouwens nooit gehaald. Couperus wel, die de draak stak met dit soort vooruitstrevende opvattingen.

Des te pijnlijker dat ik Vondels vrouwelijke evenknie, Lucretia van Merken, niet op de lijst had gezet. De kritische student liet het er niet bij zitten en stelde voor om een gebruiksvriendelijke editie van haar treurspel Jacob Simonszoon de Rijk te maken. Dankzij hem staat Vondels zus dit semester op de lijst. Leve de student die de moed heeft zijn docent te corrigeren.

Lotte Jensen is hoogleraar Nederlandse literatuur- en cultuurgeschiedenis aan de Radboud Universiteit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden