EssayMonarchie

Leve de koning! De monarchie is zo gek nog niet

Beeld Sjoerd van Leeuwen

Als Volkskrant-redacteur Olaf Tempelman érgens tegen was, dan was het ongekozen gezag. Tot hij zag hoe Willem-Alexander mensen in een ‘moeilijk stukje Rotterdam’ op magische wijze verenigde.

Het is niet makkelijk twijfelaar te zijn in tijden waarin je maar online hoeft te gaan voor duidelijke taal. Het is extra lastig als je ook nog eens gaat twijfelen aan een van de weinige dingen die je zeker dacht te weten. Het gebeurde mij toen ik vorig jaar verslag mocht doen van een onaangekondigd bezoek van Willem-Alexander aan de Rotterdamse probleemwijk Bospolder-Tussendijken. De koning liep daar een middag rond met burgemeester Ahmed Aboutaleb. Het was niet moeilijk te zien dat dit bezoek de wijk goed deed. Uiteenlopende voorbijgangers ontstaken ter plekke in vreugde. De koning belde ook nog aan bij mensen die zichtbaar niet door een pr-afdeling waren voorbereid. Zelfs mannen die op gewone dagen duidelijk bekwaam waren in schelden, verklaarden nu dat ze ‘een ontzettend fijne koning’ hadden.

Ik dacht toen: ik heb vaak verslag gedaan van het soort gebeurtenissen waarbij je het cement van een samenleving ziet scheuren, nu heb ik een keer gezien hoe een bouwwerk wordt gestut of, om een oud-burgemeester van Amsterdam te citeren, ‘de boel bij elkaar wordt gehouden’. Helaas bedacht ik toen dat noch die fijne koning noch die fijne burgemeester gekozen was, en dat ik in ongeveer elke discussie die ik in mijn leven heb gevoerd bezwaar heb gemaakt tegen ongekozen gezag.

Via Bospolder-Tussendijken was ik zo terug in mijn oude woonplaats Boekarest, waar hele volksstammen in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw de monarchie terug wilden. Eind 1989 was op deze plek een socialistische volksrepubliek bezweken. De leiders daarvan hadden de monarchie in 1947 op orders van Stalin afgeschaft. De koning was het land uitgezet en mocht nog van geluk spreken, want de bolsjewieken hadden de Russische tsaar en zijn gezin in 1918 voor het vuurpeloton gezet.

Liever koningen dan dictators

Ik herinner me ettelijke honderdduizenden mensen die in 1992 in Boekarest uitliepen toen de Roemeense ex-koning Mihai I voor het eerst sinds 1947 voet op Roemeense bodem zette. Ook vergaande publieke affectiebetuigingen in Sofia aan de Bulgaarse ex-koning Simeon II van Saksen-Coburg-Gotha (later nog premier onder de naam Simeon Sakskoburggotski) staan nog op mijn netvlies, net als de uitzinnige taferelen rond Leka I van Albanië – vóór mijn middagje Rotterdam met Willem-Alexander had ik alleen áfgezette koningen menigtes in vervoering zien brengen. Ik moest dan altijd denken aan de Franse filosoof Montaigne, die 16de-eeuwse tijdgenoten die koningen als goden vereerden onder de neus wreef dat ook vorsten hurkend hun behoefte doen. Aan Bulgaren en Roemenen in monarchistische menigtes vroeg ik destijds: waarom willen jullie die ongekozen koningen terug nu jullie eindelijk van die communistische dictators zijn verlost? Weten jullie wat koningen door de eeuwen heen hebben uitgespookt?

Beeld Sjoerd van Leeuwen

Monarchisten in het Oost-Europa van weleer waren over het algemeen belezen mensen die je niet hoefde te vertellen over vorstelijke bijdragen aan de Inquisitie en andere narigheid. Maar als ik zei dat ze een nogal geïdealiseerd beeld hadden van koninklijk gezag, zeiden zij dat ik een nogal geïdealiseerd beeld had van gekozen gezag. Ze begrepen dat Britten, Nederlanders en Scandinaviërs hun koningen in de 19de eeuw aan banden hadden gelegd – maar wij Europeanen uit het noordwesten boften toch maar dat de wegbereiders van onze democratieën zo verstandig waren geweest die koningen niet ‘helemaal weg te doen’, dat revolutionairen bij ons medio 1918 de massa’s niet achter zich hadden gekregen en dat we lekker ver van Stalin woonden.

Gekozen gezag is goed, zeiden ze, maar het functioneert bij gratie van ‘een inbedding’. Onder zo’n inbedding kun je veel verstaan: een rechtsstaat, een vertegenwoordigd stelsel, een waardengemeenschap. Maar het was volgens mijn gesprekspartners belangrijk dat zo’n inbedding ook iets magisch, onlogisch, onberedeneerds bevat, en dat is precies waarin een koningshuis kan voorzien. Het onlogische is vaak taai als het logische het laat afweten.

Een kwarteeuw geleden vond ik dat argumentatie uit de koker van de toverfee van Assepoester. In discussies in het mondingsgebied van de Donau stond ik op het standpunt dat monarchieën anachronismen zijn – dat het raar is dat veel Europeanen nog altijd hun staatshoofden niet kunnen kiezen, ook al is de functie van die staatshoofden vooral of geheel ceremonieel. Dure koningshuizen die steevast leden met twijfelachtige hobby’s herbergen, zo niet een prins Bernhard, dan wel een prins Andrew, zijn evenmin van deze tijd als ongekozen burgemeesters. Weinig Nederlanders, Denen of Noren hebben direct onder hun monachieën ‘te lijden’, maar ik wist dat democratische rechtsstaten prima zonder koningshuizen kunnen. Ik ben geen activist en ben nooit lid geweest van het Republikeinse Genootschap, maar hun doelstellingen onderschreef ik.

Twijfel

En toen zag ik vorig jaar Willem-Alexander bezig in ‘een moeilijk stukje’ Rotterdam, zag ik getatoeëerde witte mannen, vrouwen met hoofddoeken en flink wat anderen op vrijwel identieke wijze voor die koning vallen, en werd ik ter plekke minder zeker van die republikeinse geloofsbrieven. Ik kon me namelijk moeilijk voorstellen dat een gekozen ceremonieel staatshoofd ook maar in de verte een soortgelijke verbinding tussen mensen had kunnen bewerkstelligen. Zo’n staatshoofd krijgt op straat te maken met mensen die bij verkiezingen op de tegenkandidaat hebben gestemd of, bij getrapte verkiezingen, op diens partij. En zo’n staatshoofd mist, om de geliefde term van monarchisten uit ex-koninkrijken te gebruiken, ‘dat magische’. Ik vroeg mensen op straat naar hun politieke voorkeuren. Ze stemden ófwel niet ófwel PVV, SP of Denk, partijen waar de monarchie relatief het minst populair is. Toch laten cijfers zien dat ook hun kiezers in meerderheid aan dat koningshuis hechten. De SP was jarenlang expliciet voor snelle invoering van de republiek, maar kwam daarvan terug toen bleek dat die republiek ‘tussen de partij en de kiezers instond’.

Op de terugweg uit Rotterdam beleefde ik zo’n moment waarover mensen weleens vertellen in de inkeerrubriek ‘180 graden’ in dit opiniekatern: dat het in tijden waarin kerken zijn leeggelopen, vertegenwoordigende democratieën onder vuur liggen, traditionele media worden gewantrouwd, sociale media blijven grossieren in nepnieuws, grote techbedrijven data zonder scrupules verkopen aan klanten gespecialiseerd in ontwrichting, de ene politieke partij de rechterlijke macht als partijdig wegzet en de andere indoctrinatie in het onderwijs hekelt, goed is dat Nederland die koning nog heeft.

Een ‘onlogisch instituut’ als een koningshuis is minder makkelijk te beschadigen dan een ‘logisch instituut’ als een parlement, was een adagium van monarchisten in Oost-Europa. Gaat een Cambridge Analytica-achtig bedrijf nepnieuws verspreiden over Nederlandse instituten, dan is de monarchie daartegen waarschijnlijk het best bestand. De monarchie staat sinds jaar en dag bloot aan analoog nepnieuws in roddelbladen. Die monarchie zorgde ook voor flink wat non-fictieve schandalen. Toch blijft de steun onder de bevolking stabiel: rond de 90 procent sinds 1964, volgens TNS Nipo. Bij Maurice de Hond is dat cijfer lager, maar ook stabiel: rond de 70 procent, sinds 2005. Tegenstanders zitten verspreid over het hele politieke spectrum. De monarchie is dus een van de niet meer zo talrijke zaken waar het electoraat van alle parlementair vertegenwoordigde partijen in meerderheid voor is, een bestanddeel van het maatschappelijk cement. Idem dito in het Verenigd Koninkrijk. Interessant waren de vele onthutste Britse reacties deze week op de aankondiging van prins Harry en zijn vrouw Meghan dat ze hun officiële taken neerleggen: in tijden van de Brexit zijn jullie nodig als lijm, was de verkapte boodschap.

Adepten van de monarchie uit landen waar deze staatsvorm werd afgeschaft, wisten een kwarteeuw geleden al dat dit instituut ‘iets’ losmaakt in mensen waardoor het weerbarstiger is dan andere instituten. In monarchieën waar de Sovjets in de jaren 1944-1947 de macht overnamen, schakelden de mannen van Stalin eerst de pers uit, daarna de politieke oppositie, daarna de rechterlijke macht. Pas als al die instituten onder controle waren, durfden ze te beginnen aan het koningshuis, het instituut ‘met een plekje in de harten van de mensen’.

Politieke spelletjes

Een ander inzicht van monarchistische genootschappen van weleer in Boekarest en Sofia: zonder instituten, zonder een waardengemeenschap en maatschappelijk cement, worden verkiezingen een wedstrijd wie erin slaagt de meeste kiezers op te lichten. Verkiezingen in het postcommunistische tijdperk vonden ze illustratief. In de jaren na het herstel van de democratie in 1989 kon je keer op keer leren dat als er geen enkele consensus bestaat over wat je wel en niet kunt maken, schaamteloze spelers prevaleren. Wie een spel netjes tracht te spelen, is een makkelijke prooi voor een tegenstander die hetzelfde spel smerig speelt. Achteraf vind ik het niet toevallig dat de zelfhulpboeken van de Amerikaanse vastgoedmagnaat Donald J. Trump met tips hoe een mens zich een weg naar de top knokt, tot de eerste titels behoorden die na 1989 in vertaling in Oost-Europese kiosken verschenen.

De fysieke afstand tussen Nederland en de wereld van de Slowaakse, Wit-Russische of Roemeense wanna-be-Trumps bedroeg amper 1.000 kilometer. Een kwarteeuw geleden was het alsof je een ander universum betrad. Eén zinnetje vloeide destijds vaak uit monden van Nederlanders in Oost-Europa: ‘Dit zou bij ons niet kunnen.’ Tegenwoordig zeggen ze dat minder snel, want veel kan nu bij ons óók. Een kwarteeuw geleden verwachtten velen dat nieuwe democratieën in het oosten geleidelijk op gevestigde democratieën in het westen zouden gaan lijken. Iets tegenovergestelds is gebeurd. Politici die zich weinig tot niets aan feitelijkheid gelegen laten liggen, heb je al dertig jaar ten oosten van de Elbe, en tegenwoordig ook ten westen ervan. Beschuldigingen van partijdigheid aan het adres van de rechterlijke macht: ze waren aan de orde van de dag in nieuwe democratieën, en nu ook in de oude.

Wie in de jaren negentig een papieren Roemeense krant las, leerde dat wat een krant met een andere politieke oriëntatie berichtte ridicuul, schandelijk, onwáár was. Ga online en je weet dat de digitale revolutie iets heeft gefaciliteerd wat in ‘minder nette democratieën’ allang bestond. Er zijn mensen als rechtsgeleerde en FvD-senator Paul Cliteur die onlinemedia een verrijking vinden: in hun optiek heeft de digitale revolutie ons bevrijd van verstikkende, eenzijdige berichtgeving waarin dingen niet werden uitgesproken en problemen niet werden benoemd. ‘Veel verslaggeving in de mainstreammedia is eigenlijk polemiek’, stelde Cliteur onlangs in deze krant: ‘Binnen elke discipline moet je een pluraliteit van standpunten hebben. In de clash of opinions komt de waarheid boven.’

Met die laatste twee zinnen ben ik het eens. Maar botsingen van meningen leiden alleen tot iets als waarheidsvinding als er voldoende overblijft waarover mensen het wél eens zijn. Wie wil weten wat voor maatschappij je krijgt als ingezetenen alleen nog maar botsen en het nergens meer over eens zijn, als feiten van het ene kamp voor het andere kamp leugens zijn, moet een tijd in een Oost-Europees of Zuid-Amerikaans land verblijven. Zonder maatschappelijk cement verandert een samenleving waarin een ‘pluraliteit van standpunten’ bestaat in een samenleving waarin het ene kamp het andere kamp alleen nog maar verwerpelijk vindt.

Magisch gezag

Toen ik een jaar of 25 was, had ik een discussie met een Roemeense monarchist van een jaar of 75. Jullie zijn eigenlijk voor ‘magisch gezag’, zei ik. Nou en of, zei hij: een democratische rechtsstaat kan een beetje magisch gezag gebruiken. Monarchistische genootschappen in Oost-Europa zijn tegenwoordig op sterven na dood; de Roemeense ex-koning Mihai I overleed in 2017 op 96-jarige leeftijd in ballingschap in Zwitserland – maar vorig jaar zag ik op straat alsnog de functie van magisch gezag. Ik schaar me schoorvoetend bij de voorstanders, op voorwaarde dat de officiële bevoegdheden van dat magische gezag zuiver ceremonieel zijn.

De roman Radetzkymars van Joseph Roth (1894-1939) is een verkapt eerbetoon aan de majesteitelijke onlogica die het cement was van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, die in 1918 uiteenviel. De laatste jaren beleeft dit boek uit 1932 in de Nederlandse vertaling herdruk op herdruk. Vorig jaar heb ik het herlezen. Dertig jaar geleden vond ik een fraai nostalgisch boek, nu vond ik het nog steeds fraai, maar ook actueel. Voor wie het nog niet kent: het is een goede tijd om het te lezen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden