ColumnPeter Middendorp

Langzaam gek geworden in mijn eentje

Vlak voordat ze de deur uitging, onze dochter had de jas ook al aan, draaide mijn vriendin zich om en begon me nog even van top tot teen te bekijken, of eigenlijk andersom: de sokken, de joggingbroek, het armoedige toefje rechtopstaand slaaphaar. Ik dacht even dat ik een kus kreeg, of een uitbrander, maar ze zei: ‘Ik zou dat niet kunnen, elke dag alleen thuis werken, zoals jij, ik zou echt helemaal gek worden.’

Ik deed een stap naar haar toe, blij dat ik het eindelijk ook eens van iemand anders hoorde – benoemen was al bijna erkennen. ‘Maar dat is ook zo’, riep ik. ‘Dat gebeurt ook, dat is ook precies wat er is gebeurd.’ Maar ze had geen tijd om naar me te luisteren, ze moest naar haar werk en het kind moest ook nog naar school. Ze zwaaide en liet me alleen achter met mijn gedachten.

’s Nachts lijken de dingen veel groter dan overdag, hoor ik mensen wel zeggen, ’s nachts vliegen ze je aan, maar ik vind de dingen tijdens kantooruren juist vaak hun overzichtelijkheid verliezen. Werken met andere mensen, functioneren als een mensenmens onder de mensen, ik heb er altijd lacherig over gedaan. Maar achteraf, nu ik weet wat er met je kan gebeuren, heb ik te vroeg gelachen. Als eerste.

Je hebt andere mensen nodig om jezelf te vergeten, daar ben ik intussen achter. Zonder interactie gebeurt zo’n beetje het tegenovergestelde. In andere woorden: als je werk hebt, verbaas je je al gauw over de broek van een collega. Als je thuiskomt, roep je: ‘Nou, die Anja had toch weer een rare broek aan vandaag!’ Maar als je thuis werkt, heb je alleen je eigen broek om raar te gaan vinden en sta je je, als de anderen thuiskomen van werk en school, in de hoek van de kamer voor je broek te schamen.

Het besef van raar is een olievlek. Het richt zich niet alleen op je broek maar breidt zich over alles uit, alle delen van het lichaam, alle domeinen van het geestelijke en emotionele leven. Als je lang met jezelf zit opgescheept, verandert de verhouding met jezelf zoals de verhouding met je naam verandert als je die maar lang genoeg achter elkaar blijft opzeggen. Soms denk ik: zou ik al gek genoeg zijn? Of komt er nog wat bij?

Soms fiets ik langs een scholengemeenschap in de stad en denk ik aan het lerarentekort. Zou ik gewoon eens naar binnen gaan en vragen of ze me kunnen gebruiken? De nood leek werkelijk hoog. Als leerkracht deed je dingen waar behoefte aan bestond, het verschafte vast een wonderlijk genoegen. Je droeg bij. Je was onderdeel van de maatschappelijke ruggegraat. Zonder mensen als jij zakte de heleboel in elkaar.

Van de andere kant zagen ze me al aankomen: ‘Wat heeft u de afgelopen twintig jaar gedaan?’ Langzaam gek geworden in mijn eentje, meneer de directeur, als u op mijn relevante werkervaring doelt, maar daarom ben ik ook zo gemotiveerd om me onder uw leerlingen te begeven: ik wil die gekte kwijt, ik ben bang voor ongelukken.

We hebben geen bewustzijn van Onze Lieve Heer gekregen om ons zo mooi te gaan vinden als we van de weeromstuit zijn gaan doen. We hebben er een gekregen bij het ontstaan van de taal, om te kunnen controleren of het klopt wat we zeggen. Hieruit volgt dat je je gedachten pas kunt beoordelen nadat je ze hebt uitgesproken.

Tot die tijd verkeer je in een oordeelkundig vacuüm, een niemandsland. Je hoort ze wel, je gedachten, maar je hebt geen idee waar ze op slaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden