Laagdrempeligheid is een kroonjuweel van de Tweede Kamer

Commentaar

Juist de vaak bekritiseerde laagdrempeligheid is een belangrijk kroonjuweel van onze Tweede Kamer.

Minister Hugo de Jonge, Staatssecretaris Paul Blokhuis van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Bruno Bruins Minister voor Medische Zorg voorafgaand aan de voortzetting van het debat begroting Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Foto anp

Over het politieke jaar 2017 zijn veel zorgen uitgestort. Na de democratische hoogmis van de verkiezingen trok een select groepje gekozenen zich een half jaar terug in de achterkamers, waar zij ternauwernood een kabinet wisten te formeren van vier partijen die tenminste bereid waren het met elkaar te proberen. Was dit nu het Haagse antwoord op het groeiende chagrijn over de politiek? Het kabinet was nauwelijks begonnen of nog maar 35 procent van de kiezers had er vertrouwen in. Dat zag er niet fraai uit.

Maar toen kwam het veelbesproken onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau: het nationale humeur blijkt veel minder veranderlijk dan vaak wordt verondersteld. Sinds 1990 doen zich geen grote verschuivingen voor in de opvattingen over de grote morele kwesties, het milieu, de multiculturele samenleving of de Europese Unie. In de jaren negentig - toch vaak herdacht als een tijdperk van voorspoed en tevredenheid - waren de zorgen over normen en waarden groter. Over immigranten oordelen Nederlanders nu positiever dan toen.

Democratisering

Dat de perceptie totaal anders is, kan maar met één ding te maken hebben: de zorgen die er allang waren, worden nu veel beter gehoord. De geëmancipeerde kiezer heeft platforms gevonden. De heersende stemming in het land is niet zozeer veranderd, maar gedemocratiseerd.

Het parlement, dat veel diverser van samenstelling is dan twee decennia geleden, is een van die platforms. Veel minder onderwerpen blijven onbesproken op het Binnenhof. 'Opvattingen die er voorheen ook al waren, worden nu officieel vertegenwoordigd', aldus het SCP. Dat maakt debatten soms onoverzichtelijker, de krachtsverhoudingen diffuser en formaties ingewikkelder, maar het parlement in de kern niet per definitie slechter. Dat blijkt dan ook uit datzelfde SCP-onderzoek: chagrijn is er altijd, maar Nederlanders zijn grosso modo niet cynischer over de politiek dan in 1992. In vergelijking tot andere Europeanen hebben Nederlanders nog altijd veel vertrouwen in hun parlement.

Inspraak

Juist de veelkleurigheid, de laagdrempeligheid en het vermogen om maatschappelijke tendensen snel te absorberen zijn de kroonjuwelen van onze Tweede Kamer. Als volksvertegenwoordiging doen die 150 evenredig gekozenen het zo slecht nog niet. Zelfs niet in hun pogingen om uit een ingewikkelde verkiezingsuitslag beleid te brouwen dat tegemoet probeert te komen aan de wensen van een meerderheid. Je hoeft het niet in alles met het regeerakkoord eens te zijn om vast te stellen dat het in veel opzichten het verdunde maar logische gevolg is van de ruk naar rechts die de kiezers op 15 maart maakten.

Dat is een behoorlijke relativering bij alle dringende oproepen ook in de Kamer zelf tot invoering van kiesdrempels, verboden op afsplitsingen of de import van andere kiesstelsels die het land beter bestuurbaar zouden moeten maken. Het parlement mag wat meer zelfvertrouwen aan de dag leggen. Dan vat het misschien ook de moed om eindelijk eens serieus te reageren op dat andere, wél massaal gevoelde, democratische tekort op lokaal niveau. Ook 25 jaar geleden vond al de helft van de Nederlanders dat de inspraak van burgers in de eigen gemeente groter moet. Concreter: al vele jaren wil ruim tweederde van het electoraat z'n eigen burgemeester kunnen kiezen. Voor een parlement dat zo druk is met de kloof tussen kiezers en gekozenen kan de opdracht in deze week van goede voornemens niet veel duidelijker zijn.

Meer over