Column Peter Buwalda

‘Kut eigenlijk’, zeg ik, ‘dat een rennende panter prachtig is, maar een rennend spinnetje weerzinwekkend’

Vrouwen verdienen gelijke kansen, ook wanneer er een spin moet worden verwijderd. Helaas, fluistert Jet, is er sprake van een glazen plafond. De vijand om wie het vandaag gaat is zwart en harig, en zit op de muur vlakbij Jets hoofdkussen. Je vraagt je af wat een joekel als hij in Malmö komt doen.

Sterven, fluistert Jet.

Nee, bulder ik om moed te verzamelen, dat is zielig.

Hoewel het niet de afspraak is. Een van de weinige voordelen van vakantie in koude landen zijn de kleinere insecten. We zijn een half uur in Zweden, en nu dit.

‘Ik ga daar niet liggen’, zegt Jet.

‘Sterker’, zeg ik, ‘ik ga er niet eens naast liggen.’

Aan het slagje dan maar. Doodslaan noemde ik net zielig, maar ik bedoelde: eng. De spin is te vlezig. Als je hem goed raakt, heb je een gratis rorschachtest naast je hoofd; als je hem mist, neemt hij de benen – acht stuks helaas, wat ik al even traumatisch eruit vind zien.

‘Kut eigenlijk’, zeg ik, ‘dat een rennende panter prachtig is, maar een rennend spinnetje weerzinwekkend.’

Genoeg gefilosofeerd, een glas en een papiertje. Nee, geen glas, een glas is doorzichtig, dat smijt ik halverwege tegen het plafond, een koffiemok, en zeker ook geen papiertje, dat kiert, een stevige, gladde verjaardagskaart is beter.

Juist als ik mijn maanpak sta aan te trekken, roept Jet: ‘Huh?!’

‘Wat?’

‘Hij is weg!’

En inderdaad, fuckertje zit er niet meer. Maar ook nergens op de muren of het plafond. (Leuke dieren zitten niet op muren of plafonds, maar in een mand of op een kussen – noteer dat.)

Hij moet wel achter het bed gekropen zijn. Hoewel mij dit zou moeten opluchten, voelt het niet zo. Je levert toch een stukje controle in. ‘Eigenlijk is dit erger’, zegt Jet.

Dat is waar. Wel geeft het adem om kort te vertellen dat ik uit een gezin van arachnofoben kom. Nou ja, uitgezonderd mijn vader. Maar helaas was hij op zijn werk toen we op een keer tijdens Magnum P.I collectief begonnen te brullen. Ik weet nog precies waar Higgins stond, Magnums bekakte vriend: in de tuin met een sproeier. Iets boven de televisie zat een extreme huisspin, ongehoord groot. Die moest per banaan uit Tsjernobyl zijn gekomen. Of uit de feestwinkel.

Mijn moeder Rob halen, de buurman, die liep wel even mee, haha. Toen Rob ontdekte met wie hij de eer had, trok er letterlijk een schok door hem heen. Hebben we vaak nagedaan, later. Arme kerel. Stond-ie, tussen de huilende kinderen. Maar hij flikte het.

Rob? Bedankt.

‘Misschien moeten we naar een hotel’, opper ik. Jet loopt naar mijn kant van het bed, maar springt ineens achteruit. ‘Er loopt iets!’

Om u te dienen, het is Fuckmans. Overduidelijk. Hij is onder het bed door gelopen, naar mijn kant, en staat nu stil tussen het bed en de muur.

We kijken elkaar aan, ik zweer het. Een slimme spin zou terug onder het bed verdwijnen. Maar deze spin zegt heel zachtjes: ‘En garde.’

En hij begint op mij af te stormen, dwars door de plains van de woonkamer. Aha, zo dus. Je wilt het zo. Dus wat doe ik, net op tijd: ik pak het kleedje voor de bank op, een geweven ding met rubberen antislipmat. En wat leg ik? Nou?

Een bommentapijt. Precies.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden