Kunstkritiek is meer dan vijf sterretjes

De kunstredacties van de kwaliteitskranten zouden moeten investeren in betere websites met doorwrochte en goed ontsloten kritieken.

Een paar jaar geleden beschreef de restaurantcriticus van de Minneapolis Star Tribune een rare paradox. Toen hij als criticus begon, was zijn gezag veel groter dan hij besefte. Niet gehinderd door veel kennis van zaken schreef hij eens een restaurant de grond in dat zijn recensie niet overleefde. Maar nu, ondanks dertig jaar ervaring, dertig jaar van proeven, reizen en oordelen, is er van dat gezag weinig meer over.

Tijdgeest
Zo ruimt hij overeenkomstig de interactieve tijdgeest sinds enkele jaren aan het eind van zijn stuk af en toe plaats in voor reacties op wat hij eerder schreef. Het meeste commentaar krijgt hij daarbij op zijn besprekingen van restaurants uit een keten, zoals Planet Hollywood, waar de menu’s zout, vet, smaakarm en inwisselbaar zijn. De lezers verwijten hem dat hij bevooroordeeld is: wat verbeeldt hij zich trouwens, dat hij zo kritisch doet over een restaurant waar zij zo geweldig gegeten hebben?

Niet alleen restaurant- maar ook kunstcritici verliezen steeds meer gezag. Het ideale model bestaat officieel nog wel bij film: de grote kranten bespreken wekelijks alle in die week in Nederland uitgebrachte bioscoopfilms, waarbij de redactie een hiërarchie aanbrengt tussen belangrijke films en mindere producten. Het idee echter, dat het belangrijkste aan tentoonstellingen, concerten, voorstellingen en boeken besproken wordt, dat de kritiek greep heeft op dat geheel en er hiërarchie in kan aanbrengen, is wegens het enorm gegroeide aanbod tanende, en daarmee het gezag van de kritiek.

Naast dit gegroeide aanbod heeft ook het oprukkende marktdenken de kritiek in verlegenheid gebracht. Waar de bestseller ooit, in de hoogtijdagen van de avant-garde, op zijn minst iets verdachts had, en een bij leven goed aan particulieren verkopende kunstenaar iets had uit te leggen, geldt commercieel succes nu in steeds meer domeinen als bewijs van artistiek succes. Dat vermindert het belang van kritiek die uitsluitend op kwaliteit is gericht. Bovendien worden aan kritiek zelf commerciële eisen gesteld. Bij media gaat het lekker lezende interview en een kijkje in de lege boekenkast van de bekende Nederlander meer en meer boven de doorwrochte analyse.

Een belangrijkere en hiermee samenhangende bedreiging voor de kritiek is het wantrouwen dat de laatste decennia gegroeid is ten opzichte van alles wat met ‘de elite’ wordt geassocieerd en algemener: met gezag. Het populisme is niet louter een politiek fenomeen, maar doet zich eveneens, of juist bij uitstek voor in het culturele domein. De clichés liggen voor het oprapen: kunst is iets van de grachtengordel, van White Anglo-Saxon Pigs, iets voor de traditionele media, VPRO-kijkers, de randstedelijke elite…

Internet
Wie nu denkt dat internet een antwoord op deze problemen in de kritiek kan zijn, sjokt als een paard met oogkleppen door het medialandschap. Want al deze kwesties doen zich juist in nog sterkere mate op internet voor. Toch heeft het weinig zin het internet als medium te verfoeien. Je kunt beter de vraag opwerpen wat internet de kunstkritiek te bieden heeft, in plaats van louter ach en wee te roepen. Stel dat we geld hadden, heel veel geld, om een ideale site voor kunstkritiek te bouwen. Hoe zou zo’n site er dan uitzien?

Die site zou een aantal ervaren redacteuren hebben die deels zelf zouden schrijven, deels goed betaalde medewerkers zouden aansturen, keuzes zouden maken in wat ze zouden plaatsen en wat niet en hoe prominent. Zij zouden niet alleen selecteren uit het enorme aanbod, ze zouden er ook een hiërarchie in aanbrengen. Er zou op worden toegezien dat de medewerkers onafhankelijk opereerden van wie ze bespraken, en dat de inhoud op afstand zou staan van de commerciële invloed.

Dit alles is weinig revolutionair. Want zo’n site is gewoon de digitale kunstafdeling van een kwaliteitskrant, zij het dat film-, cultuur- en literatuurbijlage er in elkaar geschoven zijn. Toch heeft deze utopische site drie dingen te bieden die al wel te vinden zijn, maar stiefmoederlijk bedeeld worden, niet alleen door geldgebrek, ook door gemis aan overtuiging. Het gaat om linken, plakken en reageren. Ik bedoel dat besprekingen en interviews op een heldere manier moeten verwijzen naar andere teksten en sites, dat recensies van voorstellingen, films en concerten korte fragmenten met beeld en geluid moeten bevatten en dat besprekingen altijd aan een overigens streng geredigeerde discussie moeten kunnen worden gekoppeld.

Laat ik een voorbeeld geven voor de literatuur. Wanneer een bespreking van een nieuwe roman verschijnt, dan zou standaard het volgende aan die bespreking vast moeten zitten. Nogmaals, we vergeten nu even de praktische problemen van geld en concurrentie:
Een link naar andere recensies die over het boek zijn verschenen.
Een link naar eerdere recensies over dezelfde auteur op de site (of van de krant waartoe de site behoort).
Een link naar een eerder of liefst recent gehouden interview met de schrijver.
Een lemma waarin de belangrijkste informatie over de schrijver en zijn of haar werk staat.
Een stukje proza uit het boek van ongeveer 100 of 150 woorden dat een voorbeeld geeft van de stijl van de schrijver en dat zich goed zelfstandig lezen laat.
Een aan de bespreking gekoppeld weblog dat de discussie voortzet die de recensie is begonnen (want een goede recensie is altijd het begin van een gesprek).

Het model van de literaire recensie kan met kleine wijzigingen worden toegepast op besprekingen van films, voorstellingen, concerten en tentoonstellingen. Naast het linken en de interactie biedt het plakken grote en nog weinig gebruikte mogelijkheden. Want waar bij literatuur slechts een fragment – en in het geval van poëzie gelukkig gemakkelijk een heel gedicht – kan worden weergegeven, kan hier beeld, geluid en zelfs bewegend beeld in de tekst zelf worden geïncorporeerd. Recensenten moeten leren niet de hele filmtrailer in hun stuk te zetten of een popliedje van youtube aan laten klikken, maar een fragment eruit in het betoog vlechten dat zo kort is dat we de lijn van het verhaal vast kunnen houden. Zoals tot nu toe eigenlijk alleen bij poëzierecensies lukte, waar je in je bespreking een paar regels of een klein gedicht in kunt voegen zonder dat het een Fremdkörper wordt in de tekst.

Tot zover de gedroomde kunstsite. Wanneer wij nu door de wereld van de kunstkritiek op internet surfen, ontdekken we iets anders. Om te beginnen zien we door de enorme hoeveelheid juist minder. Menigeen noemt het een voordeel dat kunstwebsites veel meer boeken, kunstwerken en voorstellingen bespreken dan kranten, maar die grotere kwantiteit, waarin de redactie niet een voorselectie maakt, houdt de lezer juist op afstand. Want die wil zijn schaarse tijd niet verdoen aan een stuk dat geen enkele urgentie heeft.

Gelijk
Daarnaast hebben critici natuurlijk gelijk met hun vernietigende oordeel over het amateurisme op internet. Het draait om het ventileren van meningen in plaats van het gesprek over kunst en cultuur dat een goede recensie aangaat. Het zou overigens een vergissing zijn te denken dat al die rotzooi aan internet te danken is. Internet is een spiegel en maakt slechts zichtbaar wie wij zijn en wat er is. Daar kan goede kritiek veel aan toevoegen.

Omdat krantenlezers steeds meer digitale lezers worden, ligt hier een mooie opdracht voor de kwaliteitspers. Hoe moeilijk kranten het nu ook hebben, ze zullen moeten investeren in juist één van die gebieden waarop ze zich kunnen onderscheiden, in de kunstkritiek dus. Natuurlijk is het ideale betaalmodel nog niet gevonden en trekt kunst vooralsnog te weinig adverteerders, maar tegelijk hebben de kranten die in cultuur en in journalistieke kwaliteit hebben geïnvesteerd het de laatste decennia juist relatief heel goed gedaan.

Het gaat bij investeren overigens niet louter om geld. Het voorbeeld dat ik gaf, dat kunstjournalisten en recensenten anders moeten leren schrijven en meer met geïntegreerd beeld en geluid moeten gaan doen en meer moeten linken, veronderstelt ook een andere mentaliteit. En verder kunnen krantenredacties wel beweren dat dergelijke investeringen nooit zijn terug te verdienen en dat men al aan de rand van de afgrond staat, maar zulke sombere redacties (en directies) zouden zich moeten afvragen of je beter zelfmoord kunt plegen door iets wel te doen dan zelfmoord plegen door niets te doen.

HIERONDER DE VOLLEDIGE LEZING

Het woeden der kritiek

Een paar jaar geleden beschreef de restaurantcriticus van de Minneapolis Star Tribune, Jeremy Iggers, een wonderlijke paradox. Toen hij als criticus begon, was het gezag dat hij had veel groter dan hij besefte. Niet gehinderd door veel kennis van zaken schreef hij eens een restaurant de grond in dat zijn recensie, zo suggereert hij, niet overleefde. Maar nu, ondanks dertig jaar ervaring, dertig jaar van proeven, reizen en oordelen, is er van dat gezag weinig meer over.

Zo ruimt Iggers overeenkomstig de interactieve tijdgeest sinds enkele jaren aan het eind van zijn stuk af en toe plaats in voor reacties op wat hij eerder schreef. Het meeste commentaar krijgt hij daarbij op zijn besprekingen van restaurants uit een keten, zoals het Hard Rock Café of Planet Hollywood. Volgens Iggers zijn de menu’s er zout, vet, smaakarm en inwisselbaar. Altijd weer die diepvries calamares, Caesar salad en fettucine met plakjes gegrilde kip … De lezers verwijten hem echter dat hij bevooroordeeld is en wat verbeeldt hij zich trouwens niet allemaal, dat hij zo kritisch doet over een restaurant waar zij zo geweldig gegeten hebben? Ze zijn toch niet gek? [in: Allhoff & Monroe]

Onze criticus is geen lichtgeraakte, hautaine zeurpiet die niet in de lezer en bezoeker van restaurants is geïnteresseerd. Anders had hij hen ook niet geregeld in zijn rubriek aan het woord gelaten. Maar hij maakt wel duidelijk, dat voor hem niet elke mening even zwaar weegt en dat er over smaak met kracht van argumenten goed valt te twisten. Wat Iggers hier aan de orde stelt, heeft een algemener strekking voor de kritiek, ook voor de kunstkritiek waar het vandaag over gaat. Het probleem is, dat de klassieke criticus aan gezag inboet en dat, in samenhang hiermee, het populisme veld wint. Deze kwesties doen zich bij uitstek voor in de kunstkritiek, en dan nog eens in verhevigde vorm op internet en in de blogosfeer.

De laatste jaren neemt de scepsis jegens wat op internet op het gebied van cultuur allemaal geschreven wordt snel toe. Een van de meest in het oog springende aanvallen kwam van de voormalige internet-ondernemer Andrew Keen, die in The Cult of the Amateur (2007) de vloer aanveegde met de jarenlange lofzang op de democratisering van het publieke debat. De ondertitel van zijn boek zegt al genoeg: How today’s internet is killing our culture. Volgens Keen wordt het gezag van specialisten er systematisch ondermijnd ten bate van de amateur. Informatie en discussie op internet is onbetrouwbaar door onbewust geklungel en bewuste manipulatie op de achtergrond. De meeste bloggers interesseert dat weinig; ze zijn vol van zichzelf en zenden zonder te luisteren.

Kunstkritiek
Wat betekent deze nieuwe tijd echter voor de kunstkritiek? Recensenten van films, voorstellingen, concerten en boeken verliezen in het licht van Keens boek steeds meer gezag. Op internet immers zijn ze vaak anoniem en kunnen ze best kennissen zijn, of juist persoonlijke vijanden van de besproken kunstenaar (en wie weet zijn ze de kunstenaar zelf), of simpelweg vooringenomen fans. Ze ontberen de betrouwbaarheid van een gevestigd medium. Kunstkritiek is op internet los van die meer principiële kant een opeenstapeling van meestal weinig interessante persoonlijke meninkjes. Iedereen associeert er op los en laat zich lekker gaan.

Tegelijk verliezen recensenten van de traditionele media door internet gezag, omdat hen daar onophoudelijk verweten wordt elitair te zijn. Is niet elke mening evenveel waard? Waarom is die diepvries calamares eigenlijk zoveel minder dan een Sint-Jacobsschelp gemarineerd met witlof en zwarte truffel? Is de kunstcriticus in het glanzende democratische licht van internet niet een potentaat, een cultuurpaus, een bobo – wie denkt hij wel niet dat hij is?

Vanuit de verte klinkt de ketelmuziek van Geenstijl. Maar ik ben er niet voor om die altijd uit de weg te gaan. Want wie zich ergert aan zulke alom heersende onverschilligheid en zelfs minachting voor de kritiek, moet zich wel eerst afvragen in hoeverre de kunstkritiek van weleer eigenlijk principieel verschilt van wat er nu geschreven wordt en van wat er nu op internet te lezen is. Denken we niet te hoog van de kritiek uit een voorbije tijd? Zijn critici niet sinds mensenheugenis zelf mislukte kunstenaars die hun frustraties sublimeren in venijnige en zure besprekingen van voorstellingen, boeken, concerten of kunstwerken die ze zelf nooit hebben kunnen creëren? De Ierse toneelschrijver Brendan Behan vergeleek ze eens met de gecastreerde eunuchs van een harem: ‘ze weten hoe het gedaan wordt, ze zien het elke dag gebeuren, maar ze zijn niet in staat het zelf te doen.’ [mc donald, 9]

Zulk wantrouwen jegens de kunstkritiek is natuurlijk niet nieuw en leidt al eeuwen een taai leven. Honoré de Balzac klaagde halverwege de negentiende eeuw vooral de middelmatigheid aan van de kritiek:
De kritiek is alleraardigst tegenover stommiteiten en onbenulligheden, maar zodra het om belangrijke boeken gaat, grijpt ze naar haar zweep, steekt ze de lastertrompet, zet ze haar masker op en pakt ze haar floret. Ze is niet ontaard, ze heeft haar naaste lief: ze vleit en vertroetelt de middelmatigheid. [Balzac 67]

Ondanks de nooit ontbrekende scepsis is het belang van de kritiek pas de laatste twee decennia snel minder vanzelfsprekend geworden. In hoog tempo schaffen kranten en tijdschriften hun kritieken en recensies af. Zozeer, dat er nu vanuit de kunsten zelf een kentering ontstaat. Vorig jaar schreven drie grote toneelgezelschappen in Los Angeles een brandbrief naar de LA Times, om een vurig pleidooi voor theaterkritiek te houden. Sommigen verbaasden zich daarover; als automobilist vraag je toch ook niet om hogere boetes en nog meer snelheidsbeperkingen? Maar in andere landen en andere kunsten valt deze terugkerende behoefte aan serieuze kunstkritiek eveneens te beluisteren. Als dit zo is, wordt de vraag interessant, wat men eigenlijk precies mist en wat zulke serieuze kunstkritiek is, anders dan een vaag verschijnsel dat in de blogosfeer minachting en hoon oproept en daarbuiten kennelijk heimwee?

De Republiek der Letteren
Onze opvatting van kunstkritiek, althans tot aan het heden van internet, is geworteld in het idee van de Republiek der Letteren, ontstaan in de Verlichting en tot wasdom gekomen met de romantiek. In de Verlichting ontstaat een nieuw publiek forum, waarop politiek, nieuws, wetenschap, en ook de kunsten besproken worden in koffiehuizen en het gedrukte equivalent ervan: de krant en het tijdschrift. Hier komt het moderne idee van openbaarheid op, zoals dat o.a. door de filosoof Jürgen Habermas is beschreven en geprezen, hier ligt de bakermat van de publieke opinie en dus van de democratie. Op het nieuwe podium van kranten en tijdschriften wordt ook gediscussieerd over kunst: over theater, literatuur, schilderkunst en muziek. In sommige opzichten had de achttiende-eeuwse kunstkritiek trouwens wel iets van de hedendaagse blogosfeer. Ook hier geregeld anonieme bijdragen, rijp en groen door elkaar, belangrijke en onbelangrijke kunst, verzet tegen een elitaire bovenwereld – zij het die van de aristocratie en de kerk – en amateurisme.

Pas met de romantiek komt de kunstkritiek tot bloei. Want de romantici namen afscheid van de talloze geschreven en ongeschreven regels waaraan kunst moest voldoen, of het nu om een landschapschildering ging, een sonate, een gedicht of een toneelstuk. Zij stelden hun eigen regels. En dus werden goed schrijvende critici belangrijk, die de kunstwerken moesten uitleggen, er de bedoelingen van peilden en zich afvroegen of die bedoelingen ernstig genoeg waren en of kunstwerken eraan voldeden. Zo verwierven niet alleen de kunstenaars met de romantiek autonomie: ook de kritiek werd autonoom. De kunstkritiek professionaliseerde, zoals de hele journalistiek in de loop van de negentiende eeuw professionaliseerde. Vanaf Sainte-Beuve konden critici uitgroeien tot autoriteiten.

Natuurlijk stap ik te snel op zevenmijlslaarzen door een enorm rijke geschiedenis, maar je kunt zeggen dat de kunstkritiek als ideaal van de Republiek der Letteren haar hoogtepunt bereikte in de tweede helft van de twintigste eeuw. Dat was in de eerste plaats te danken aan een krachtige avant-garde, die dankzij een onophoudelijk offensief met pamfletten, tijdschriften en vooruitgangsretoriek een aantal generaties bevlogen en strijdvaardige critici baarde. Maar even belangrijk is de consumptieve groei in de jaren zestig en zeventig, die zowel de kunstproductie als de omvang van de kritiek snel deed stijgen. De diversiteit in de media nam toe, de belangstelling voor cultuur groeide en steeds meer specialistische, vaak academisch opgeleide critici deden zich gelden. Zo kunnen, in de woorden van mijn collega Frank van Vree, ‘de jaren zeventig en tachtig worden gekarakteriseerd als de jaren waarin alle vroegere idealen omtrent de publieke rol van de kunstkritiek leken te culmineren.’

De nieuwe crisis in de kunstkritiek.
Zelfs wie het debat over kunstkritiek slechts van grote afstand volgt, weet dat toen nauwelijks, en daarna al helemaal geen sprake was van euforie. En waar de laatste twintig jaar het woord kunstkritiek valt, is het woord crisis inmiddels zelden ver weg. En niet alleen het woord crisis. Er wordt, bijvoorbeeld door de Engelse schrijver Martin Amis, van het eind van The Age of Criticism gesproken, de bloeiperiode van na de oorlog tot in de jaren tachtig. De literatuurwetenschapper Rónán McDonald gaat nog verder in zijn drie jaar geleden verschenen boek met de weinig verhullende titel The Death of the Critic.

McDonald beperkt zich tot de literaire kritiek. Het dreigende einde daarvan ontstaat volgens hem in de eerste plaats doordat de academische gevoede kritiek zich van de openbare of journalistieke kritiek heeft vervreemd. Aan de universiteiten is het geloof in de literatuur stelselmatig ondergraven door Cultural Studies en vergelijkbare modes, terwijl de journalistiek zich steeds populistischer is gaan opstellen en kritiek voor amusement verruilt. Maar naast dit door hem genoemde postmoderne relativisme jegens de literatuur, een scepsis die zich overigens tot vele kunsten uitstrekt, dragen andere ontwikkelingen bij aan wat misschien niet de dood, maar dan toch inderdaad wel een crisis in de kunstkritiek mag worden genoemd.

Om te beginnen het enorme aanbod aan cultuur, dat zich in bioscopen en theaters, op tv en op internet, in winkels, op straat en waar niet al manifesteert, met behulp van een eindeloze stroom reclame en kritiek in de vorm van interviews, filmpjes, advertenties, campagnes, acties en artikelen. Bij groeiende welvaart en een toenemend gemiddeld onderwijsniveau is de consumptie van cultuur spectaculair gegroeid. Door de omvang van een bovendien steeds diverser aanbod en publiek is het voor de kritiek steeds moeilijker geworden op een coherente manier te bespreken wat er verschijnt, te zien of te horen of te lezen is. Waarbij de diversiteit in culturen door grootschalige immigratie ook nog eens flink is toegenomen. Een inhoudelijke selectie wordt steeds moeilijker, laat staan een goed onderbouwd oordeel van wat er toe doet en wat niet.

Het ideale model bestaat officieel nog bij film: de grote kranten bespreken namelijk wekelijks alle in die week in Nederland uitgebrachte en in de bioscoop gedraaide films, waarbij de redactie een hiërarchie aanbrengt tussen belangrijke films en mindere producten. Dat ideaal van overzicht en hiërarchie is wel betrekkelijk, omdat veel films eerder al op het web te zien zijn, op festivals worden vertoond en dan worden besproken, of niet in de bioscoop maar in filmhuizen verschijnen, terwijl ook de nationale begrenzing in onze globale wereld iets steeds kunstmatigers krijgt. Maar het bestaat nog, min of meer, als voorbeeld van een oud ideaal. Het idee echter, dat het belangrijkste aan tentoonstellingen, concerten, voorstellingen en boeken besproken wordt, dat de kritiek greep heeft op dat geheel en er ook hiërarchie in kan aanbrengen, is wegens het enorm gegroeide aanbod tanende, en daarmee het gezag van de kritiek.

Naast dit gegroeide aanbod en de postmoderne scepsis heeft ook het oprukkende marktdenken de kritiek in verlegenheid gebracht. Om te beginnen heeft de consument zich geëmancipeerd en weet hij precies wat hij wil, net als de lezers die zo’n geweldige avond in het Hard Rock Café of Planet Hollywood hadden. Die laten zich niet meer zomaar door de kritiek voorschrijven dat opera beter is dan operette en een dichtbundel waardevoller dan chicklit of een crimi. Verder geloven steeds meer consumenten en producenten dat wanneer een product goed verkoopt, het ook goed is.

Waar de bestseller ooit, in de hoogtijdagen van de avant-garde, op zijn minst iets verdachts had, en een bij leven goed aan particulieren verkopende kunstenaar iets had uit te leggen, geldt commercieel succes nu in steeds meer domeinen als bewijs van artistiek succes, wat het belang vermindert van kritiek die uitsluitend op kwaliteit is gericht. Bovendien worden aan kritiek zelf commerciële eisen gesteld. Bij media gaat het lekker lezende interview meer en meer boven de doorwrochte analyse. En bijna alle kritieken worden inmiddels voorzien van sterretjes die als consumenteninformatie bedoeld zijn.

Deze tendens gaat samen met een andere ontwikkeling die de kritiek bedreigt; de krisis in de kranten- en tijdschriftenwereld. Het is een bekend verhaal: de vaak zo genoemde traditionele media hebben geen afdoende antwoord op internet en het grote aanbod aan gratis informatie, terwijl ook het bereiken van een jong publiek steeds lastiger wordt. Dat heeft er bij veel media, inclusief radio en de op dit vlak volstrekt marginale tv, toe geleid dat de ruimte voor kunstkritiek beperkt wordt. Want in plaats van zich hier te onderscheiden, waar internet nog niet slaagt, kiezen ze ervoor hetzelfde te doen wat elders gebeurt en het te moeilijk of elitair geachte gesprek over kunst, dat de kritiek au fond is, te verruilen voor interviews en amusement. De publieke omroep, die zich juist op dit terrein zou kunnen legitimeren, maakt zich onder druk van netmanagers en omroepbestuurders ook op dit vlak volstrekt overbodig.

Een belangrijker en hiermee samenhangende bedreiging voor de kritiek is het wantrouwen dat de laatste decennia gegroeid is ten opzichte van alles wat met ‘de elite’ wordt geassocieerd en algemener: met gezag. Het populisme is niet louter een politiek fenomeen maar doet zich eveneens, of juist bij uitstek voor in het culturele domein. Deze door Nietzsche als ressentiment van de massa bestempelde haat jegens het hogere en kwetsbare in de cultuur wordt meestal in clichés verwoord die zowel ter linker- als ter rechterzijde zijn aan te treffen: kunst is iets van de grachtengordel, van White Anglo-Saxon Pigs, iets voor de traditionele media, VPRO-kijkers, de randstedelijke elite…

Wie nu denkt dat internet een antwoord op deze problemen in de kritiek kan zijn sjokt als een paard met oogkleppen door het medialandschap. Want al deze kwesties doen zich juist in nog sterkere mate op internet voor: het relativisme en de scepsis jegens kunst evengoed als het verpletterende aanbod; het marktdenken en de bestsellercultuur net zo goed als het diepgewortelde wantrouwen tegen het onuitroeibaar spookbeeld van de elite. Ik heb internet hier tot nu toe slechts en passant genoemd om te laten zien dat deze problemen niet de schuld zijn van het nieuwe medium, maar deel uitmaken van grotere maatschappelijke en politieke ontwikkelingen.

The medium is in dit geval iets minder the message dan menigeen denkt.
Internet als medium verfoeien heeft weinig zin, en nog minder wanneer je dat doet in een aanklacht als die van Andrew Keen. Zijn boek staat in een traditie van conservatieve Amerikaanse cultuurkritiek, die telkens met morele retoriek de ondergang van de beschaving aankondigt: denk aan Neil Postmans Amusing Ourselves to Death, of E.D.Hirsch’ Cultural Literacy: What Every American Needs To Know. Ik ben het altijd zeer met zulke boeken eens maar wanneer ik ze uit heb vraag ik me altijd af: en wat nu? Keens The Cult of the Amateur probeert daar met wat aanbevelingen aan het eind wel een soort antwoord op te geven, maar verder dan een vage oproep tot meer regels en overheidsingrijpen en een mentaliteitsverandering komt hij niet.
Daarom is het misschien goed eerst eens de vraag op te werpen wat internet de kunstkritiek te bieden heeft, in plaats van louter ach en wee te roepen.

Internet

Alles kost geld, behalve echte liefde, want die is niet te koop. Maar stel dat we geld hadden, heel veel geld, om een mooie, wat zeg ik, een ideale site voor kunstkritiek te bouwen. Hoe zou zo’n site er dan uitzien?
Die site zou een aantal ervaren redacteuren hebben die deels zelf zouden schrijven, deels goed betaalde medewerkers aan zouden sturen, keuzes zouden maken in wat ze zouden plaatsen en wat niet en hoe prominent. Zij zouden niet alleen selecteren uit het enorme aanbod, ze zouden er ook een hiërarchie in aanbrengen. Er zou op worden toegezien dat de medewerkers onafhankelijk opereerden van wie ze bespraken, en dat alle inhoud op afstand zou staan van de commerciële invloed die uitgevers, impressariaten en allerlei PR-machines van het kunstbedrijf op hen uit zouden proberen te oefenen, zo gauw die site enig bereik zou krijgen.

Zo’n site zou alle kunsten behandelen, hoge en lage cultuur, eigentijds en historisch, met een oog voor het nieuwe en steeds vanuit de vraag: wat verschijnt er, wat doet ertoe en wat heeft het ons te zeggen? Dit alles is volstrekt niet revolutionair. Want zo’n site is dus eigenlijk gewoon de digitale kunstafdeling van een kwaliteitskrant, zij het dat film -, cultuur- en literatuurbijlage in elkaar geschoven zijn, en dat het een heel goede krant zou zijn. Waar dus interviews niet de recensies verdringen en allerhande nieuwtjes die door veel kunstredacteuren van kranten als belangrijk kunstnieuws worden beschouwd in de plaats zouden komen van besprekingen van de actuele kunstproductie.

Utopisch
Maar wat heeft deze utopische site nog meer te bieden dan wat we al kennen? Drie dingen, die alle drie natuurlijk al te vinden zijn, maar stiefmoederlijk bedeeld worden, niet alleen door geldgebrek maar ook door gemis aan overtuiging. Het gaat om linken, plakken en reageren. Ik bedoel dat besprekingen en interviews op heldere manier moeten verwijzen naar andere teksten en sites, dat recensies van voorstellingen, films en concerten korte fragmenten met beeld en geluid op een functionele manier in de tekst moeten opnemen en dat besprekingen altijd aan een overigens streng geredigeerde discussie moeten kunnen worden gekoppeld.

Dat klinkt abstract en goede dromen zijn meestal concreet dus laat ik een voorbeeld geven voor de literatuur. Wanneer een bespreking van een nieuwe roman verschijnt, over een boek van Grunberg bijvoorbeeld, of van Ian McEwan, maar hetzelfde gaat op voor recensies van mindere goden, dan zou standaard het volgende aan die bespreking vast moeten zitten en nogmaals – we vergeten nu even de praktische problemen van geld en concurrentie. 1. Een link naar andere recensies die over het boek zijn verschenen. 2. Een link naar eerdere recensies over dezelfde auteur op de site (of van de krant waartoe de site behoort). 3. Een link naar een eerder of liefst recent gehouden interview met de schrijver. 4. Een lemma waarin de belangrijkste informatie over de schrijver en zijn of haar werk staat. 5. Een stukje proza uit het boek van ongeveer 100 of 150 woorden dat een voorbeeld geeft van de stijl van de schrijver en dat zich goed zelfstandig lezen laat. 6. Een aan de bespreking gekoppeld weblog dat de discussie voortzet die de recensie is begonnen (want een goede recensie is altijd het begin van een gesprek).

Over dit voorbeeld twee opmerkingen. Ten eerste is het cruciaal dat elke bespreking een vast format heeft met zes knoppen ernaast, die standaard deze links aanbieden. Ten tweede moet onder de zesde knop, het weblog waar de discussie over het boek gevoerd wordt, een intensieve redactie plaatsvinden (geld speelde geen rol). Dat betekent dat reacties een beperkte omvang hebben en goed geschreven zijn, en dat zo nodig de discussie in verschillende lijnen wordt uitgesplitst. Daaronder kan dan natuurlijk een blog worden gehangen waarin op de bekende bloggersmanier naar hartelust geklaagd wordt over de censuur en dictatuur van de redacteur in dienst.

Het model van de literaire recensie kan met kleine wijzigingen worden toegepast op besprekingen van films, voorstellingen, concerten en tentoonstellingen. Naast het linken en de interactie biedt hier het plakken grote en nog weinig gebruikte mogelijkheden. Want waar bij literatuur slechts een fragment – en in het geval van poëzie gelukkig gemakkelijk een heel gedicht - kan worden weergegeven, kan hier beeld, geluid en zelfs bewegend beeld in de tekst zelf worden geïncorporeerd. En dan bedoel ik niet, wat bij filmbesprekingen op internet al gebeurt, omdat die beelden zich daar beperken tot fragmenten uit de trailer naast de tekst. Het gaat om iets anders.

Recensie
Zoals een goede poëzierecensie altijd al gebruik kon maken van een citaat en dus het besprokene zelf in de lopende tekst kon tonen en integreren – niet als illustratie maar als deel van het betoog, zo kan dat nu met beeld en geluid. Wie bijvoorbeeld (zoals ik) de schoolmeester in Michael Hanekes recente prachtige film Das weisse Band een te goede inborst vindt voor de verdorven setting van het dorp waarin hij figureert, een verlegenheidsoplossing van de regisseur die een goed mens nodig heeft om de kijker zijn verhaal binnen te slepen, die kan dat adstrueren met een fragment van 8 of 10 seconden in de lopende tekst, door daar op precies de goede plaats een icoontje te plaatsen. Zoals je dat mooi bij een bepaald moment van een concert kan doen dat je beschrijft.

Natuurlijk gebeurt dit al, vooral op blogs, maar je treft zelden aan dat het fragment vloeiend, als deel van het betoog, in de tekst wordt opgenomen. Volkskrant-journalist Gijsbert Kamer doet het wel eens op zijn weblog. Een paar weken geleden had hij een stuk over het mooie liedje Simply Beautiful van Al Green. Hij schreef: ‘Op YouTube staat een recente versie van dit liedje, die het origineel in intensiteit bijna benadert. Prachtig trouwens hoe Green hier zelf de akoestische gitaar speelt.’ Het woord ‘recente versie’ kon je aanklikken en dan kreeg je het liedje, inclusief die prachtige akoestische gitaar. Maar dat liedje duurde wel meer dan drie minuten zodat je het betoog kwijt bent. Je zou je voor kunnen stellen dat hij het magnifieke einde van deze song zou beschrijven, waarbij je de laatste twaalf seconden aan had kunnen klikken. Waarna nog even de aandacht wordt gevestigd op de manier waarop Al Green voor het slotakkoord helemaal van zijn gitaar loskomt, als in trance.

Wanneer we de vorige week verschenen bespreking van Up in the Air met George Clooney lezen in de digitale versie van NRC-journalist Peter de Bruijn, komt na enkele zinnen de tekst: bekijk de trailer - met deze trailer aanklikbaar in beeld. De lopende tekst en wat we op de trailer zien hebben wel wat met elkaar te maken, als we geloven dat beide over wereldwijd flexwerken gaan, maar er gebeurt niets mee en de trailer is, alweer, te lang om de tekst vast te houden terwijl de tekst weinig aan de beelden toevoegt. Hier valt dus veel winst te behalen.
En ook commercieel. Want boek- en webwinkels zullen zich bij zo’n site verdringen, theaters, galerieën en bioscopen snakken naar reclameruimte op zo’n prachtige kunst-site en veel andere bedrijven zullen de verleiding niet weerstaan om de relatief koopkrachtige lezer via de advertentieruimte hier te benaderen. Want tuig zo’n site nog eens op met een messcherpe column, korte nieuwsrubrieken, een paar lijstjes en graphics en de bezoekers zullen toestromen - bij tienduizenden.

Hier echter aangekomen moet ik denken aan een kort verhaal dat Voltaire schreef, De droom van Plato. De cruciale zin daarin luidt: ‘Dat nu leerde Plato aan zijn leerlingen. En toen hij met spreken stopte, zei één van hen: ‘En toen werd u zeker wakker...’

Kunstkritiek op internet
En wanneer wij ontwaken en door de wereld van de kunstkritiek op internet surfen ontdekken we inderdaad iets anders. Om te beginnen zien we door de enorme hoeveelheid juist minder. De vloeibare werkelijkheid van internet maakt het mogelijk op elk moment dingen toe te voegen en daarmee missen de meeste sites het wekelijkse ritme van kranten en tijdschriften, dat de redactie juist dwingt te kiezen wat er deze week het belangrijkst was, om dat voor een week te bevriezen. Menigeen noemt het een voordeel, dat kunstwebsites veel meer boeken, kunstwerken en voorstellingen bespreken dan zgn. traditionele kranten, maar die grotere kwantiteit, waarin de redactie niet een voorselectie maakt, houdt de lezer juist op afstand. Want die heeft weinig tijd en wil die schaarse tijd niet verdoen aan een stuk dat geen enkele urgentie heeft en net zo goed over iets anders had kunnen gaan.

Daarnaast hebben Andrew Keen en andere critici natuurlijk gelijk met hun vernietigende oordeel over het amateurisme op internet, al is dat bij sommige sites duidelijk aan het veranderen. Een van de hinderlijkste vormen van dat amateurisme is, dat de critici op internet zelden verder komen dan het geven van hun mening: het draait om thumbs up or down, om wel of niet kopen, om ja of nee, in plaats van het gesprek over kunst en cultuur dat elke goede recensie in beginsel aangaat.

Critici van internetsites noemen vaak nog een ander belangrijk punt. Hoewel deze sites juist democratisch heten te zijn, omdat ze de bezoekers niet de mening opdringen van een autoriteit en iedereen mee kan praten en het oordeel van de meerderheid het zwaarste weegt, zijn ze juist ondemocratischer dan wat vaak zo misleidend de traditionele kritiek wordt genoemd. McDonald schrijft dat het absurd lijkt, om van de dood van de criticus te spreken (de titel van zijn boek) ‘when everybody now seems to be one’. Maar, zo betoogt hij, iedereen krijgt ondanks die schijn van individualisme en invloed juist meer van hetzelfde, omdat je nauwelijks gedwongen wordt dingen te lezen die buiten je interesse of gezichtsveld liggen. De invloed van de markt, zo voegen anderen eraan toe, zorgt ervoor dat iedereen op zijn wenken wordt bediend en de recensies en kunstwerken krijgt voorgeschoteld die hem toch al interesseerden, terwijl het klassieke podium ontbreekt, waarop anderen een beperkt, maar goed geselecteerd aanbod presenteren dat de lezer tot nieuwsgierigheid prikkelt en uitdaagt (om dat vreselijke woord ook eens te gebruiken) iets nieuws te ontdekken.

Litanie
Dit kan het moment zijn om los te barsten in een litanie over dat deplorabele internet, over het eindeloos kopiëren van wat anderen zeggen, over al die voorspelbare opmerkingen over kunst, de amechtige neiging om op te vallen door de leukste of de botste of de smerigste of de hipste te zijn, de onophoudelijke schreeuw om aandacht van slecht geïnformeerde zielepoten die maar door tikken, over de rancuneuzen, de luien, de dommen, de krankzinnigen, de slechten, de ijverigen, de lolbroeken, de pedanten, de vuillakken, de leperds, de argelozen en de bedriegers die de blogs bevolken waarin over kunst wordt gestameld, gemopperd, gekletst en gezwetst. Maar het zou een vergissing zijn te denken dat al die rotzooi aan internet te danken is. Internet maakt alleen zichtbaar wat er is, en daaruit kunnen we concluderen wat goede kritiek dus kan toevoegen aan het kunstdiscours.

Eigenlijk is het misleidend te denken dat internet iets heel anders is dan de zgn. traditionele media. Het vormt een nieuw podium, en daarom kost het tijd om tot ordening, overzicht en hiërarchie te komen, maar de behoefte daaraan zal niet afnemen. Zolang mensen in goede kunst zijn geïnteresseerd, wat dat dan ook is, zullen er plaatsen te vinden zijn waar goede kritiek geleverd wordt, al zou het wel mooi zijn als onderwijs en pers dit stimuleerden en als niet zo velen klakkeloos de ondergangsverhalen aannemen en doorvertellen van internetgelovigen en van al die anderen die zo bang zijn niet met hun tijd mee te gaan. En omdat krantenlezers steeds meer digitale lezers worden ligt hier in de eerste plaats een mooie opdracht voor de kwaliteitspers.

Hoe moeilijk kranten het nu ook hebben, ze zullen moeten investeren in juist één van die gebieden waarop ze zich kunnen onderscheiden, in de kunstkritiek dus, zolang ze tenminste de deskundige kunstjournalisten in huis weten te houden. Natuurlijk is het ideale betaalmodel nog niet gevonden en trekt kunst weinig aantrekkelijke adverteerders, maar tegelijk hebben de kranten die in cultuur en in journalistieke kwaliteit hebben geïnvesteerd het de laatste decennia relatief heel goed gedaan.

Het gaat bij investeren overigens niet louter om geld. Het voorbeeld dat ik gaf, dat kunstjournalisten en recensenten anders moeten leren schrijven en meer met geïntegreerd beeld en geluid moeten gaan doen en meer moeten linken, veronderstelt ook een andere mentaliteit. En verder kunnen krantenredacties wel beweren dat dergelijke investeringen nooit zijn terug te verdienen en dat men al aan de rand van de afgrond staat, maar zulke redacties (en directies) zouden zich moeten afvragen of je beter zelfmoord kunt plegen door iets wel te doen dan zelfmoord plegen door niets te doen. En bij zelfmoord geldt nog altijd het niet minder romantische adagium van Alfred Lord Tennyson, dat het beter is to have lost and loved than never to have loved at all. De somberaars onder ons mogen het met de iets kruidiger variant van Samuel Butler doen, waarmee ik wil besluiten: It is better to have loved and lost than never to have lost at all.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden