opinie

Kritische D66-leden: Geen referendum? Dan een drastisch beter functionerend parlement

Over twee weken loopt het zomerreces ten einde. De Eerste en Tweede Kamer hebben na het afschaffen van het raadgevend referendum de morele plicht om het eigen functioneren drastisch te verbeteren, vinden Boris van der Ham, Gert Jan Geling en Flip Hoedemaeker, kritische D66-leden.

Minister Kajsa Ollongren (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) afgelopen juli in de Eerste Kamer tijdens het debat over de intrekking van de wet raadgevend referendum. Beeld ANP

Net voor de zomervakantie schafte een kleine meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer het raadgevend referendum af. Een grote meerderheid van kiezers was juist wel voorstander van dit instrument. Tegenstanders stelden echter dat referenda afbreuk doen aan de vertegenwoordigende democratie. Belangrijke beslissingen moeten in handen van professionele politici liggen, zo is de redenering. Alleen zij zijn in staat op basis van feiten, inzicht, en met oog voor het algemeen belang tot besluitvorming te komen.

Dat klinkt mooi, maar dat is helaas niet altijd de praktijk. Zo bestaat de huidige Tweede Kamer weliswaar uit 150 individuele Kamerleden, maar tijdens debatten over belangrijke onderwerpen is van diversiteit aan opvattingen weinig sprake. De echte debatten vinden vaak niet plaats in de openbare vergaderzalen van het parlement, maar in de fractiekamers. Nadat daar het standpunt is bepaald, is van een uitwisseling van ideeën nauwelijks sprake. Hier spelen zowel fractiediscipline als coalitieafspraken een zeer bepalende rol. Dat is nu bijvoorbeeld te zien bij het afschaffen van de dividendbelasting. Niet de feiten, het inzicht of het algemeen belang telt, maar het behoud van de nipte coalitiemeerderheid.

Obsessie

Als de volksvertegenwoordiging zo allesbepalend dient te zijn, dan zal het haar eigen rol veel serieuzer moeten nemen. Dat moet allereerst gebeuren door de obsessie voor ‘meerderheidsregeringen’ los te laten. Tijdens de vorige kabinetsperiode ontbrak in de Eerste Kamer een meerderheid voor de regering. Dat had tot gevolg dat ook oppositiepartijen bij het beleid werden betrokken, en het parlement opbloeide. Niettemin werd deze optie tijdens de afgelopen kabinetsformatie als ‘onwenselijk’ bestempeld. Waarom? In Scandinavische landen zijn minderheidsregeringen eerder regel dan uitzondering; dat zou het in Nederland ook mogen zijn.

Daarnaast moeten Kamerleden hun individuele verantwoordelijkheid, die zij volgens de Grondwet uitdrukkelijk hebben, veel meer ter harte nemen. Zo moet het taboe worden doorbroken om meer geld uit te trekken voor het eigen functioneren. Nu heeft een Kamerlid maar 1,2 fte aan personeel, waarmee het ministers controleert die over een veelvoud aan ambtenaren beschikken. Iets meer ondersteuning voor Kamerleden is geen overbodige luxe.

Ook moeten politieke partijen zich realiseren dat de verscheidenheid van ‘hun’ kiezers veel groter is dan uit hun enkele stem blijkt. Geen kiezer is het immers met alles dat in een verkiezingsprogramma staat eens. Het getuigt van kracht als dat ook onder de Kamerleden van een partij zichtbaar is. Nog maar enkele decennia geleden kwam het bij belangrijke debatten voor dat er meerdere woordvoerders per fractie spraken, om de verschillen die binnen een fractie leefden te verwoorden. Nu is dat ondenkbaar. Fracties zijn als de dood dat die verschillen als ‘interne ruzie’ worden gezien. Volgens ons is het juist de onnatuurlijke eenvormigheid die de kiezer van de politiek doet vervreemden.

Bovenstaande veranderingen zijn te realiseren zonder ook maar één regel in de wet te veranderen. Maar om de parlementaire cultuur aan te passen, is wel een structurele wijziging nodig. Zo kan voor de Tweede Kamer worden gedacht aan een gemengd districtenstelsel. Kiezers kunnen dan twee stemmen uitbrengen: één voor de lijst van een landelijke partij, en één voor een lokale kandidaat uit eigen omgeving. Waar volksvertegenwoordigers nu vooral via interne partijstructuren in de Kamer belanden, zal er in het geval van twee stemmen een veel directere band ontstaan met de kiezer, en zal de Kamer bovendien minder eenzijdig Randstedelijk worden samengesteld. Ook de fractiediscipline zal zwakker worden. Voordeel van een gemengd stelsel is bovendien dat, anders dan bij de Britse of Amerikaanse districtenstelsels, kleine politieke stromingen behouden blijven en minderheidsopvattingen ook een kans maken zetels te halen.

Teruggetrokken uit de samenleving

Tot slot moet het parlement ook nadenken waartoe het eigenlijk bestaat. De politiek heeft zich de afgelopen decennia steeds verder teruggetrokken uit de samenleving. Kiezers moeten steeds vaker hun wensen over de richting van het land kenbaar maken als ‘consument’ of ‘zorgafnemers’. Beslissingsmacht vloeit ook weg naar niet democratische (internationale) organisaties, naar juridische instanties en ‘de markt’. Hierdoor neemt het democratisch gehalte van de samenleving af. Als de volksvertegenwoordiging zo belangrijk is, waarom wil zij dan steeds minder vaak namens de kiezer spreken?

De Tweede en Eerste Kamer hebben met het afschaffen van het raadgevend referendum de kiezer het mildste instrument ontnomen waarmee eventuele dwaling van de volksvertegenwoordiging kon worden gecorrigeerd. Zij hebben nu dan de morele plicht om tenminste het eigen functioneren drastisch te verbeteren.

Boris van der Ham, Gert Jan Geling, Flip Hoedemaeker (Zij maken deel uit van ‘Opfrissing’, kritische leden binnen D66,

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.