Column Aleid Truijens

Krankzinnig dat het zomaar mocht: anoniem een kwakje zaad afgeven

Alweer zo’n mooi kindje. Hij lijkt totaal niet op G., zijn romige zusje. M., drie dagen oud, heeft een lang, pezig lijfje, donker haar, puntige elvenoortjes, lange pianistenvingers en aandoenlijk grote platvoeten. In zijn genderneutrale hansopje toch een echt mannetje. Een fonkelnieuw mens, van wie er maar eentje is.

Hij is rustig, dat zie je nu al. Geen schreeuwer, geen aandachttrekker. Hij huilt amper en slaapt braaf. Af en toe lacht hij zijn lieve, scheve lachje, waarvan dorre geesten beweren dat het een reflex is.

G., zeventien maanden, noemt hem Poes. Dat komt doordat iedereen dit kleine nieuwe wezen aait, en ook zij geacht wordt dat te doen. Het concept ‘aai’ hoort in haar hardwerkende hersenen onverbrekelijk bij ‘poes’.

Opeens is G., ons eerste kleinkind, hét kind in de familie, het zusje. Dat is even slikken. Of eigenlijk een aardverschuiving. Niets zo hartverscheurend als de onthutste blik van een kind dat een ander op haar plaats ziet liggen, tegen mama aangeklemd. Een kleine indringer die voortdurend kusjes krijgt. Het eerste grote verraad. ‘Leuk hoor, een broertje!’ zegt iedereen. G. prikt even in zijn gezicht. Kijken hoe hij reageert. Hé, hij kan huilen, deze Poes.

Vader, moeder, zusje, broertje – een doodgewoon kerngezin, dat zijn ze. Niks zelfgeknutselds aan. Niet dat het veel uitmaakt, want kinderen worden gelukkig als hun ouders van hen houden, niet door de genetische band. Ongewild of onbekwaam ‘natuurlijk’ ouderschap leidt vaak tot grote rampspoed. Je boft als je een diep gewenst kind bent, of je ouders nu de biologische zijn of niet.

Toch lijkt het me verschrikkelijk om niet te weten van wie je afstamt. Van wie je die rare platvoeten hebt, die felblauwe ogen of loensende blik. Of erger: die erfelijke ziekte. Wie de verwekker is die ervoor heeft gezorgd dat je anders bent dan de andere kinderen in het gezin: muzikaler, gevoeliger, agressiever, forser, slimmer, onhandiger. Eén van je ouders niet kennen moet een bodemloos gevoel geven, alsof je een halve identiteit hebt.

Iedereen heeft het recht om te weten wie zijn of haar ouders zijn, al is het maar om je later tegen hen af te kunnen zetten. Terecht stelt de ChristenUnie nu in de Tweede Kamer voor om kinderen van donoren het recht te geven zich gratis in te schrijven bij een dna-databank die matches zoekt tussen donoren en hun nakomelingen. Nu is aanmelding voor donoren gratis, maar kinderen die hun verwekker zoeken moeten 250 euro betalen. Dat gaat hopelijk veranderen.

Sinds 2004 mag het niet meer, anoniem donorschap. Het is bij wet verboden. Maar vóór die tijd zijn er zo’n 40.000 kinderen met donorzaad verwekt, en vaak, blijkt nu, meer dan de toegestane 25 kinderen per donor. Een deel van hen is nu op zoek.

Krankzinnig eigenlijk dat het zomaar kon en mocht: anoniem en zonder consequenties een kwakje zaad afgeven, in de overtuiging iets heel nobels te doen: ‘wensouders’ gelukkig maken. Daar ging het om; iedereen had ‘recht’ op een kind. Aan het kind zelf werden weinig gedachten gewijd. Hoe het is om af te stammen van een donatie. Hoe ontheemd je dan bent.

Vroeger waren veel dingen leuker, maar niet beter. Het waren verwarde, hovaardige en egocentrische tijden, die waaruit ik voortkom. Het vanzelfsprekende recht op alles, het rotsvaste geloof in maakbaarheid, de heilige zelfverwezenlijking – ik kijk er met verbazing op terug. Goed dat latere generaties de schade herstellen. Met de wereld waarin mijn kleinkinderen zijn neergeploft is ook veel mis. Dat zullen ze zelf vertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden