Opinie Pensioendebat

Koppel AOW aan de levensverwachting

Minister van Sociale Zaken Ko Suurhoff (PvdA) reikt de eerste AOW-uitkeringen uit op 2 januari 1957. Beeld Hollandse Hoogte

Het uitgelekte conceptakkoord tussen de sociale partners over de AOW heeft veel stof doen opwaaien. Het grootste struikelblok in de huidige discussie is de ­stijging van de AOW-leeftijd en de koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting.

In de Volkskrant van 4 juni jl. stelt Harrie Verbon, oud-hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg, dat dit in strijd is met de oorspronkelijke bedoelingen van de wet. Volgens Verbon had Drees in de jaren vijftig van de vorige eeuw met de AOW de meest kwetsbare ouderen (mensen met een laag inkomen en/of slechte gezondheid) op het oog. Een argumentatie die een reeks van historische misverstanden bevat die wel vaker de kop opsteekt in discussies over pensioenen.

Het was weliswaar Drees die de aanzet voor de latere AOW gaf, maar hij kwam in 1947 niet verder dan een noodwet. Het was zijn partijgenoot Ko Suurhoff die in 1956 met een definitieve regeling kwam: de AOW. Dat dit zo lang duurde, kwam door een strijd tussen sociaaldemocraten en confessionelen die maar liefst meer dan zestig jaar had geduurd. Deze strijd ging over de vraag of de staat iedere burger van boven de 65 een staatspensioen moest geven, betaald uit belastinginkomsten, of dat het ­individu zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk diende te zijn voor oudedags­voorzieningen.

De oorspronkelijke AOW kwam tot stand onder verantwoordelijkheid van de rooms-rode coalitiepartners PvdA en KVP. Ja, er kwam een pensioen voor alle 65-plussers, maar dit werd via een omslagstelsel betaald uit premieopbrengsten van de werkende bevolking. De AOW van 1956 was dus een deal waarmee geen van de partijen echt gelukkig was. Dat verklaart waarom in een coalitieland als Nederland de strijd over pensioenen voortdurend oplaait.

Anders dan vaak wordt gedacht, was de oorspronkelijke AOW een uiterst bescheiden pensioentje. Pas in de jaren zestig werd de hoogte van de AOW opgetrokken naar het niveau van de bijstand, het sociaal minimum. De reden hiervoor was dat de kabinetten-Drees vonden dat de AOW slechts een basisvoorziening moest zijn die aangevuld diende te worden door bedrijfspensioenen.

Dat bleek echter al snel onhoud­baar, aangezien de meeste bedrijfspensioenen betaald werden vanuit een kapitaaldekkingsysteem en niet inflatiebestendig waren en dus veel minder konden uitkeren dan de toenmalige kabinetten wenselijk vonden. Veel gepensioneerden kregen alsnog te maken met armoede. Dat was de reden waarom in de jaren zestig de AOW verhoogd werd tot een sociaal minimum. Het is overigens ook deze ingewikkelde relatie tussen AOW en bedrijfspensioenen die discussies over pensioenen zo complex maakt.

Dat de verhoging van de pensioenleeftijd en de koppeling hiervan aan de levensverwachting niet de bedoeling van Drees was, klopt niet. Integendeel, al in de jaren vijftig werd in het AOW-wetsvoorstel vastgesteld dat er in de komende decennia sprake zal zijn van een ‘voortschrijdende vergrijzing van ons volk’ en dat in de toekomst wellicht verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd noodzakelijk zou zijn. Het is bovendien opmerkelijk dat pas in de jaren negentig voor het eerst een echte discussie over de financiële houdbaarheid van de AOW plaatsvond. Internationaal gezien erg laat. Zelfs de Verenigde Staten hadden al in 1983 besloten dat de pensioenleeftijd tussen 2010 en 2020 in stappen verhoogd diende te worden en daarna gekoppeld zou moeten worden aan de levensverwachting.

In de huidige discussie hoeft het niet aan oplossingen te ontbreken. Al in 1999 adviseerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid de AOW door alle belastingbetalers te laten betalen, inclusief gepensioneerden, en de pensioenleeftijd te flexibiliseren. Aan andere academische ­rapporten en publicaties is al evenmin gebrek.

Waar het nu op aankomt, is de politieke moed om vast te houden aan de koppeling aan de levensverwachting. Want wie aan pensioenen morrelt, wordt – zoals in 1994 het CDA en in 2006 de PvdA – tijdens verkiezingen hard afgestraft.

Toch is politieke moed om rechtvaardige keuzes te maken hard nodig om te voorkomen dat de pensioenleeftijd gekoppeld gaat worden aan de mate van arbeidsgeschiktheid (bijvoorbeeld door een onderscheid tussen ‘lichte’ en ‘zware’ beroepen aan te brengen). Want als dat de uitkomst zou zijn, zou dat een terugkeer zijn naar de vooroorlogse situatie. En dat zou pas echt tegen de oorspronkelijke doelstellingen van de AOW ingaan. 

Leon van Damme is promovendus geschiedenis, Radboud Universiteit Nijmegen.

‘Oud en jong staan helemaal niet zo tegenover elkaar in het pensioendebat’

De belangrijkste kritiek op het voorstel van werkgevers en de vakbonden om de pensioenleeftijd minder snel omhoog te laten gaan, is dat jongeren daarvan de rekening moeten betalen. Maar dat is een verkeerde voorstelling van zaken, schrijven beleidsadviseurs van FNV Jong en de ouderenbond ANBO in een gezamenlijke brief.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.