OpinieMultatuli

Knevelarij door de belastingdienst: wat dat betekent lees je in Max Havelaar

‘De regent van Lebak’ in Max Havelaar maakt zich schuldig aan knevelarij, precies wat nu ook de Belastingdienst ten laste is gelegd. Laten we hopen dat niet weer de onderknuppels ervoor opdraaien.

Minister Wopke Hoekstra van Financiën ontvangt eind januari de nieuwe staatssecretarissen Hans Vijlbrief en Alexandra van Huffelen die bij de Belastingdienst orde op zaken moeten stellen.Beeld ANP

Zou minister van Financiën Wopke Hoekstra Max Havelaar hebben gelezen? Of zouden staatssecretarissen Hans Vijlbrief en Alexandra van Huffelen aan dit beroemde boek uit 1860 gedacht hebben, toen ze vorige week aangifte deden tegen (delen van) de Belastingdienst wegens discriminatie en knevelarij?

‘Knevelarij’ is een van de voornaamste aanklachten in Max Havelaar, in 2002 door de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde op nr. 1 van hun Canon geplaatst. Dit jaar vieren we dat de schrijver ervan, Multatuli, 200 jaar geleden werd geboren. Toch doken de afgelopen dagen her en der duidingen op van dit ‘ouderwets’ (NPO) of ‘oubollig’ genoemde misdrijf. Het ministerie haastte zich de pers te verzekeren dat er vooralsnog geen personen worden vervolgd, alleen de Belastingdienst zelf, maar dat er wel ‘passende maatregelen’ worden genomen. Alsof er bij de Belastingdienst geen mensen werken.

De staatssecretarissen benadrukten niet wat het advies van extern deskundige Hendrik Jan Biemond duidelijk maakt, namelijk dat ze eenvoudigweg de plicht hadden aangifte te doen tegen de eigen ambtenaren, onverwijld ook nog. Dit staat in artikel 162 lid 1 a van het Wetboek van Strafvordering. Volgens Biemond brengt de wet zo tot uitdrukking ‘dat op ambtenaren een bijzondere verantwoordelijkheid rust ten aanzien van de waarborging van de integriteit van de overheid en haar organen’.

Het Ministerie had dus geen keuze, het moest. Oubolligheid of niet.

Regent van Lebak

Ook Dekker/Multatuli had geen keuze. Hij schreef zijn boek nadat hij in conflict was gekomen met zijn superieuren en dientengevolge ontslag had genomen. Het conflict ging over de beschuldiging die Dekker had geuit tegen mede-ambtenaar Karta Nata Negara, de regent van Lebak, over wie hij als assistent-resident formeel het gezag voerde. Hij had de regent van machtsmisbruik beschuldigd en verdacht hem onder andere van knevelarij.

Waar deze verdenking op was gebaseerd, blijkt uit de Max Havelaar. Volgens Dekker inde de regent van Lebak belastingen in natura, zoals buffels en andere goederen, terwijl dit niet mocht. Ook liet hij arbeidskrachten oproepen om zijn erf schoon te maken en het gras te snijden. Deze onbezoldigde ‘heerendiensten’ waren door het Binnenlands Bestuur formeel niet toegestaan. Daar zat dus bestuursdwang achter.

Het onder dwang opeisen van goederen waar niet voor betaald wordt, noem je roof. Als het door een ambtenaar gebeurt, kan het ‘belasting’ heten wanneer het wettelijk gesanctioneerd is; ‘knevelarij’ wanneer dit niet het geval is. Als er geen wettelijke grond bestaat voor het innen van belastingen, maakt de ambtenaar die dit toch doet, zich schuldig aan een misdrijf. En niet zomaar een misdrijf: omdat de ambtenaar dit misdrijf begaat als ambtenaar, telt de roof des te zwaarder. Het is immers misbruik van gezag. Zoals iedere Nederlander inmiddels weet, die althans zijdelings betrokken is bij de fraudezaak van het ministerie, heeft dit ernstige en maatschappelijk ingrijpende gevolgen.

Vervolging

Knevelarij, als ambtsmisdrijf, bestond al in de tijd van Dekker, schrijft rechtshistoricus Tom Phijffer in Het gelijk van Multatuli (2000, p. 26). Maar hij voegt eraan toe: ‘Inlandse hoofden en hoge ambtenaren konden daarvoor niet zomaar vervolgd worden.’ Daarvoor was namelijk speciaal verlof van de Gouverneur-Generaal nodig, de hoogste baas in Indië, die de ‘inlandse hoofden’ ook op eigen houtje benoemde en ontsloeg.

De Gouverneur-Generaal was niet aan wetten en regels gebonden; er bestond indertijd geen legaliteitsbeginsel in Indië. Hoe zou het ook gekund hebben? Indië was een ‘wingewest’, geen soevereine staat met een grondwet, zoals Nederland.

Er waren ten tijde van de zaak-Lebak weliswaar discussies gaande over de beginselen waaraan het Nederlandse bestuur op Java zich zou moeten houden en de manier waarop deze beginselen in de wet geregeld moesten worden. Er ontstond aan het begin van de negentiende eeuw, volgens Phijffer, zelfs een soort ‘koloniaal rechtsbewustzijn’ (p. 36). Maar dit rechtsbewustzijn hield op bij het nadenken over de positie van de inlandse vorst, hoe daarin te ‘schipperen’. Van enige bescherming van de bevolking was geen sprake.

Winst

Waarom dat zo was, moge duidelijk zijn. Het Nederlandse bestuur had de inlandse vorsten nodig om de primaire doelstelling van het koloniale bewind, namelijk het maken van winst voor het moederland, te verwezenlijken. De Staat – het Nederlandse bewind in Indië – was er niet voor het volk, maar het volk voor de Staat.

Bovenop de al bestaande belastingen (‘landrenten’, ‘heerendiensten’) moest er sinds 1830 minimaal eenvijfde van de grond worden verbouwd met ‘cultuurproducten’, zoals koffie en tabak, die door de Nederlandse overheid als monopolist werden verhandeld. Zowel ‘Europese’ als ‘inlandse’ ambtenaren, belast met de uitvoering van en toezicht op dit stelsel, deelden in de winst via zogenaamde cultuurprocenten of -emolumenten. ‘De afgeperste arbeid en grondgebruik (…) maakten heel Java feitelijk tot één staatsslavenplantage’, schrijft Ewald Vanvugt in Roofstaat (2016, p. 438). Dit noemde men het Cultuurstelsel.

In 1859, het jaar dat Multatuli zijn boek schreef, leverde Indië zo eenderde van het hele staatsinkomen van Nederland. Bedenk hierbij dat er nog geen inkomstenbelastingen bestonden. De koloniale baten vloeiden via de Nederlandse Handelmaatschappij, de voorloper van de ABN, direct in de nationale schatkist. Uit Multatuli’s beschrijving in de Max Havelaar wordt duidelijk waar dit mechanisme uiteindelijk op neerkwam: roof, uitbuiting, slavernij, moord en volkerenmoord. Wie hiervan melding wilde maken, aangifte wilde doen, omdat hij of zij vond dat het niet zo hoorde en niet mocht, werd hardhandig teruggefloten.

Het kolonialisme betekende kortom wetteloosheid op grote schaal.

‘Moet een ondergeschikte zwijgen?’ vraagt Phijffer zich af in zijn hierboven geciteerde boek over Multatuli ‘in rechtshistorisch perspectief’. De vraag lijkt eerder of een ambtenaar mag zwijgen.

Phijffer over ‘de zaak-Lebak’, p. 121: ‘Waar kennelijk de regering er niet in geslaagd was het ambtenarenapparaat de beginselen bij te brengen die het in acht had te nemen, liepen ’s lands dienaren na het verschijnen van de Havelaar weg met de ideeën van Multatuli. (…) Het ging (…) om een principe: hoe wenste het Gouvernement dat men zich van zijn taken kweet; al schipperend of met gestrenge naleving van beginselen?’

Misdrijf

Ook nu is de regering er kennelijk niet in geslaagd het eigen ambtenarenapparaat behoorlijke beginselen bij te brengen. Dat ze zo lang heeft gewacht met het doen van aangifte, is daarvan een veeg teken. De gevolgen zijn natuurlijk minder groot dan in het geval van Max Havelaar. Het misdrijf waar grote groepen arme mensen, zonder enige schuld, het slachtoffer van lijken geworden, is echter hetzelfde.

Laten we hopen dat de betrokken ‘regenten’ of topmanagers zo snel mogelijk worden ontslagen en dat er niet, zoals na het verschijnen van de Max Havelaar, wat onderknuppels voor hun misdrijven moeten opdraaien, waarna we allemaal weer back to business gaan.

Als er inderdaad sprake is van knevelarij en discriminatie, zoals destijds op Java het geval was – en anders dan toen, kan daar nu een onafhankelijk rechter over oordelen. 

Liesje Schreuders is literatuurdocent en schrijver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden