Essay

‘Klootzakken, ik wil hieruit!’ Waarom grijpt de psychiatrie nog steeds zo vaak naar dwangmaatregelen?

Drie jaar geleden werd Ditty Eimers negen weken gedwongen opgenomen in een psychiatrische kliniek. De angst dat dit nog eens kan gebeuren, houdt haar uit haar slaap. Ze is niet de enige. Waarom hakt een dwangopname er zo in? En waarom wordt in de Nederlandse psychiatrie nog steeds zo vaak naar dwangmaatregelen gegrepen?

Elk jaar worden in Nederland meer mensen gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling. In 2020 waren we, met meer dan 30 duizend opnames, koploper in Europa. Beeld Arno Bosma
Elk jaar worden in Nederland meer mensen gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling. In 2020 waren we, met meer dan 30 duizend opnames, koploper in Europa.Beeld Arno Bosma

Op een kille maandagavond in februari 2018 overkomt me iets dat ik nooit voor mogelijk had gehouden: ik word door de politie uit een Amsterdams restaurant geplukt. Ze zeggen dat ik in de war ben, dat ze me even meenemen naar het bureau. ‘Voor úw veiligheid, mevrouw.’ Mijn spullen – een rugzak en drie Lidl-tassen met kleding, laptop, stapels papieren en toiletspullen – worden in beslag genomen. Aangekomen op het politiebureau, smeek ik de agenten om me te laten gaan: ik ben op de vlucht voor drugscriminelen. Ze knikken meewarig. ‘Rot voor je. Pak een chocomelletje uit de automaat, daar knap je van op.’ Na vijf minuten verdwijnen ze naar een gesloten ruimte achter de balie. Ze moeten aan het werk.

Vier bange uren later word ik met de psycholance, een speciaal psychiatrisch busje voor verwarde personen, naar de spoedeisende psychiatrie vervoerd. Ik herken het interieur, ik was hier eerder om als journalist een verhaal te maken over verwarde personen. Samen met een psychiater en twee psychiatrisch verpleegkundigen observeerde ik de mensen die binnen werden gebracht. Een agressieve, verwarde man moest naar de speciaal beveiligde onderzoeksruimte met cameratoezicht. Hij had met een tafel gegooid. ‘We doen dit liever niet, maar soms kan het gewoon niet anders’, had de psychiater toen uitgelegd.

Nu ben ik alleen in de grote zaal aan de andere kant, en staar ik naar een glazen wand waarachter alleen schimmen te zien zijn. Na drie kwartier wachten houd ik het niet meer. Ik schreeuw de longen uit mijn lijf: ‘Verdomme, kom achter dat raam vandaan!’ Geen beweging, geen geluid. In mijn wanhoop trap ik tegen de gesloten buitendeur. ‘Klootzakken, ik wil hieruit!’

Ineens staan er drie geüniformeerde sportschooltypes om me heen. Zonder iets te zeggen sleuren ze me naar de onderzoeksruimte: een kale cel met een vandaalbestendig matras en een papieren po. Als de stalen deur in het slot valt, raak ik in paniek. Maar ook na dertig keer op de alarmbel drukken, antwoordt er niemand.

De volgende dag word ik om drie uur ’s middags wakker in een vreemde kamer. ‘Welkom terug in Utrecht’, zegt de verpleegkundige. ‘Je bent op de gesloten afdeling van de afdeling acute psychiatrie. Er is een IBS voor je aangevraagd, een inbewaringstelling. Dat betekent dat je voorlopig deze afdeling niet af mag.’

Koploper in Europa

Elk jaar worden in Nederland meer mensen gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling. In 2002 was het aantal psychiatrische dwangmaatregelen ruim 12 duizend, in 2020 al meer dan 30 duizend, blijkt uit cijfers van de Raad voor de rechtspraak. We zijn daarmee koploper in Europa. Inbewaringstelling – sinds 2020 heet het een crisismaatregel – is een vergaand middel dat alleen wordt ingezet als iemand door een psychische stoornis een acuut gevaar voor zichzelf of anderen vormt. In 40 procent van de gevallen gaat het om mensen die niet eerder bekend waren bij de ggz. Vaak heeft zich in hun leven iets traumatisch voorgedaan, waardoor ze ontregeld raken.

Zo iemand was ik. Journalist en tekstschrijver met een bloeiende praktijk, samenwonend, moeder van twee bijna volwassen kinderen. In 2015 pleegde mijn man onverwachts zelfmoord en werd alles anders. Eenmaal enigszins van de klap hersteld, besloot ik er een verhaal over te schrijven, voor de Volkskrant. Over wat zelfmoord doet met nabestaanden. De vele, vaak hartverscheurende reacties raakten me meer dan ik had voorzien.

Een paar weken na die publicatie overleed mijn tweelingbroer aan een hartstilstand. Niet veel later moest ik vanwege dalende inkomsten mijn huis verkopen. Ik sliep niet meer, kreeg een extreem kort lontje, verstuurde ruzie zoekende appjes, dronk te veel en gaf meer geld uit dan normaal. Het drugssyndicaat zat me steeds meer op de hielen. De dreiging voelde zo echt, dat ik niet kon geloven dat hij alleen maar in mijn hoofd bestond.

Had ik door dat ik anders dan anders reageerde? Niet ten volle. Ik vond dat ik hulp nodig had, maar zeker geen opname. Het was de psychiater van de crisisdienst in Amsterdam die, bang dat ik agressie zou kunnen uitlokken of zelf zou toepassen, de inbewaringstelling aanvroeg.

Ik zou uiteindelijk tweeënhalve maand gedwongen opgenomen zijn, in twee verschillende ziekenhuizen. Ik schrik er nog regelmatig wakker van. Van de psychiater die een aanvraag deed voor fixatie. Vastbinden, betekent dat. Van het gedwongen slikken van de voorgeschreven antipsychotica. In plaats van het gewenste gesprek met de psychiater, om me de noodzaak uit te leggen en de bijwerkingen te bespreken, kreeg ik zes verpleegkundigen in mijn kamer. ‘Nu slikken’, zeiden ze, ‘of je krijgt een spuit.’

Van mijn medepatiënten ook. Van Charles, met zijn donkere Ray-Ban-zonnebril, die iedereen vertelde dat hij een blaffer op zijn kamer bewaarde voor iedereen die het waagde hem iets in de weg te leggen. In de rookkamer, waar het personeel zich nooit vertoonde, deden de wildste verhalen de ronde. De zenuwachtige Turk, die steeds achter me aan liep, was een aan coke verslaafde potenrammer. En voor de Bosnische reus, die de hele dag prevelend door de gang liep, moest je oppassen. Hij was gek geworden nadat hij tientallen Serviërs had omgelegd. In opdracht van de CIA.

Rechterlijke machtiging

De behandeling in de eerste kliniek bestond eruit dat de psychiater mijn toestand probeerde te stabiliseren met flinke hoeveelheden medicatie. Het kantoor van de verpleegkundigen was de halve dag gesloten, ‘wegens administratieve werkzaamheden’. Het dagelijkse mentorgesprek met een verpleegkundige, waar ik de hele dag naar uitkeek, werd meestal na krap tien minuten afgesloten. ‘Sorry hoor, ik kan je even niet meer aanhoren.’ Ik wist heus wel dat mijn onsamenhangende geratel irritant was. Maar ik kon het niet stoppen.

‘Heb je al een goed gesprek met de psychiater gehad?’, informeerden vrienden en familie, opgelucht en in de veronderstelling dat er eindelijk iets zou gebeuren. Maar de psychiater zag ik de eerste veertien dagen alleen tijdens de twee IBS-zittingen, waarin hij de rechter uitlegde dat ik een gevaar was voor mezelf. Hij constateerde dat er sprake was van ‘vluchtgedrag, conflictgedrag en achterdocht bij een vrouw met een manische psychose.’ Mijn gedrag zou ook agressie tegen mij kunnen uitlokken. ‘En op de iets langere termijn is er ook dreigend gevaar voor financiële en professionele schade.’

Een dagprogramma was er in die beginfase ook niet. Ik snakte naar een wandeling: buitenlucht maakte me rustig. Pas na vijf dagen mocht ik naar de huisarts, die 300 meter verderop spreekuur hield. ‘Ik begrijp dat u niet kunt slapen van de pijn’, zei ze. ‘U heeft een paar gekneusde ribben.’ De beveiligers in Amsterdam hadden me iets te hardhandig beetgepakt.

Na twee weken kon ik worden overgeplaatst naar een ander ziekenhuis. In het nieuwe ziekenhuis was het personeel vriendelijk en benaderbaar. Achter de balie zaten 24 uur per dag twee verpleegkundigen die je gewoon kon aanspreken. Er was een dagprogramma met fitness, wandelingen en creatieve activiteiten. Ik deed overal aan mee, want zo kon ik ‘vrijheden’ verdienen. Zoals in je eentje koffie halen aan het einde van de gang, een uur naar buiten met familie of vrienden, zonder begeleiding boodschappen doen in de winkel van het ziekenhuis, of zelfstandig naar een winkel 300 meter verderop.

Vlak voor de eindstreep, ik had al ‘gele’ vrijheden, de laatste stap op weg naar onbeperkte bewegingsvrijheid, werd ik bij de psychiater geroepen. Ik was met toestemming van de kliniek op mijn verjaardag uit eten geweest met mijn kinderen en had tegen de regels in één glas wijn gedronken. Toen ik het op de afdeling meldde, had ik gedacht dat ze dat wel zouden begrijpen. ‘We gaan een rechterlijke machtiging voor u aanvragen’, zei de psychiater. ‘U bent niet in staat om zich aan onze afspraken te houden’.

Niet eerder voelde ik me zo machteloos. Een rechterlijke machtiging – sinds 2020 is de term zorgmachtiging – betekent doorgaans een langdurige gedwongen opname of ondertoezichtstelling van maximaal een jaar. Gelukkig werd de maatregel al na een paar weken zonder verdere toelichting weer ingetrokken. Eindelijk was ik vrij.

Humane zorg, zonder dwang en opsluiting

De opluchting daarover duurde niet lang. De depressie, die de psychiater tijdens het ontslaggesprek al had voorspeld, diende zich na krap twee weken aan. De vervolgbehandeling bij een andere instelling, die een voorwaarde was geweest voor mijn ontslag, liet vanwege de lange wachtlijst een half jaar op zich wachten. Groter had het contrast niet kunnen zijn: van de ene op de andere dag was er in de verste verte geen hulpverlener meer te bekennen.

Hoe ik die zes maanden doorgekomen ben, weet ik niet meer. Op de een of andere manier lukte het om, met hulp van familie, vrienden en een sjoelclub voor bejaarden, omhoog te klauteren uit die zwarte put. Nu ik weer normaal functioneer wil ik, opnieuw voor een verhaal, op zoek naar antwoorden op de vragen die me de laatste jaren bezighielden.

Waarom hakt een dwangopname er zo in? Kan het ook anders? En zo ja, waarom worden in Nederland nog steeds zo veel mensen gedwongen behandeld in de psychiatrie?

Anders dan bij het verhaal over de zelfmoord van mijn man, aarzel ik. Vertellen dat je een burn-out hebt gehad of een tijdje depressief was, lijkt geaccepteerd. Zelfs Tweede Kamerleden en oud-ministers doen dat tegenwoordig. Maar opbiechten dat je zo de weg kwijt was dat je door de politie werd opgepakt en opgesloten? Ik schaam me soms nog hartgrondig voor hoe ik me toen heb gedragen.

Antropoloog en schrijver Imke Gilsing is die schaamte voorbij. Maar ze herkent mijn aarzeling. Ze vertelt over bekenden die ongemakkelijk beginnen te lachen of wegkijken als ze vertelt dat ze een psychose heeft gehad. ‘Terwijl je gewoon ziek bent. Net als mensen die kanker hebben. Van hen verwacht niemand dat ze zich schamen.’

Gilsing werd elf jaar geleden gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Tijdens een retraite kreeg ze een psychose. Ze dacht dat ze het elfje Tinkerbel uit het verhaal van Peter Pan was, en een relatie had met journalist Jelle Brandt Corstius. Over haar ervaringen schreef ze een boek dat deze week uitkwam: Een dag uit het leven van Tinkerbel. Daarin beschrijft ze onder andere haar verblijf in een isoleercel. Haar lenzen mocht ze niet in. Ze droeg een papieren scheurkleed. En er stond een doos om haar behoeften in te doen. ‘Op heldere momenten’, zegt Gilsing, ‘was ik doodsbang. En woest: dat ik opgesloten was en niet wist waarom en voor hoelang. Mijn wanen en angsten zijn in die dagen vertienvoudigd.’

Deze week startte Gilsing met een groep ggz-betrokkenen een burgerinitiatief tegen dwang in de psychiatrie. Haar stichting Tinkerbell Family pleit voor humane zorg, zonder dwang en opsluiting. Zorg die volgens haar ‘bewezen werkt, en mensen beter maakt’.

Ik vraag me af: bestaat die? Kun je zonder die vaak traumatische dwang herstellen van een ernstige psychiatrische aandoening? Of ermee leren leven?

De Wet verplichte ggz, zou het tij van al maar groeiende aantal dwangopnames en -behandelingen keren. Maar de talloze nieuwe bureaucratische regels rond dwang lijken de zorg eerder slechter te hebben gemaakt dan beter.  Beeld Arno Bosma
De Wet verplichte ggz, zou het tij van al maar groeiende aantal dwangopnames en -behandelingen keren. Maar de talloze nieuwe bureaucratische regels rond dwang lijken de zorg eerder slechter te hebben gemaakt dan beter.Beeld Arno Bosma

Het antwoord op die vraag vind ik onder meer via het Tijdschrift voor Psychiatrie in de Franse regio Oost-Lille. Er zijn ambulante wijkteams, crisisteams en herstelteams. Anders dan in Nederland, waar de zorg versnipperd is, is er dagelijks kort overleg tussen teamleiders, psychiaters en psychologen. Mensen die in crisis verkeren, kunnen zeven dagen per week, twaalf uur per dag thuis zorg krijgen. Ook zijn er gastgezinnen waar je tijdelijk terechtkan. De herstelteams helpen mensen om, als het maar enigszins kan, te werken of andere zinvolle activiteiten te ontplooien.

Het aantal psychiatrische bedden is verminderd van meer dan tweehonderd in 1971 naar tien in 2012, waarvan er gemiddeld maar zeven bezet zijn. Gedwongen opnames komen bijna niet meer voor. Mocht het een enkele keer wel nodig zijn, dan blijft de opnameafdeling volledig open. In de eenpersoonskamers mag ook familie overnachten. Als de spanning hoog oploopt, kunnen patiënten kiezen voor kunst- en sportactiviteiten, massage, een manicure of een behandeling door een ­visagist, het bubbelbad, de sauna of­­ ­andere ­wellness-activiteiten.

Had ik net als in Oost-Lille een paar weken intensieve zorg aan huis gehad, dan was die hele opname misschien wel niet nodig geweest, denk ik. En wat verschilt hun ziekenhuis van de vaak spartaans ingerichte psychiatrische afdelingen in Nederland!

Nog liever zou ik in de Finse provincie West-Lapland wonen. Daar worden mensen met psychoses, suïcidale gedachten, depressies en acute manische episodes al sinds de jaren tachtig succesvol behandeld met de Open Dialogue-methode. Bijna zonder dwang en psychiatrische opnames, en met weinig medicatie. Binnen 24 uur nadat is gemeld dat iemand een psychiatrische crisis heeft, organiseren twee hulpverleners een gesprek, meestal thuis en samen met mensen die belangrijk zijn voor de patiënt. ‘Hoe psychotisch je ook bent, er wordt naar je geluisterd’, licht Jaakko Seikula toe, de grondlegger van de methode, via een videoverbinding. ‘Het gaat ons er niet om meteen een diagnose te stellen, we maken eerst ruimte voor de verhalen van de patiënt en andere betrokkenen.’

Seikula weet inmiddels hoe belangrijk het is om patiënten zo snel mogelijk te zien. ‘Dan zijn mensen die in de war zijn, nog heel erg open. Net als familie en vrienden.’ Soms sluit een verward persoon zich op zijn kamer. Dan komt het gezelschap net zo lang bij elkaar totdat de patiënt zich veilig genoeg voelt om te praten. ‘Alleen al de ervaring dat er zonder oordeel wordt geluisterd, ook al is iemand extreem psychotisch, zorgt voor minder angst. En we nemen alles wat iemand zegt serieus, ook al snappen we er in eerste instantie niets van.’ En, anders dan in Nederland, wordt pas beslist over de vraag of medicatie of een opname nodig is, als de ergste crisis voorbij is. Ook familie en vrienden kunnen hun zorgen spuien en al hun vragen stellen. Seikula: ‘We besteden veel aandacht aan het leren verdragen van onzekerheid. Want oplossingen die snel worden bedacht om een crisis te bezweren, helpen op de lange termijn vaak niet.’

Talloze nieuwe bureaucratische regels

In Nederland kan ik, ook na lang zoeken, geen enkele psychiater vinden die het pleidooi van Gilsing voor humane psychiatrische zorg zonder dwang, niet ondersteunt. ‘We grijpen alleen naar dwang als het echt niet anders kan,’ zegt psychiater en hoogleraar publieke gezondheidszorg Niels Mulder. ‘We weten dat dwang voor veel mensen traumatisch uitpakt.’

Maar waarom gebeurt het dan nog zoveel? Volgens Mulder omdat in Nederland de bemoeizorg, waarbij hulpverleners uit de ggz zelf op mensen afstappen die complexe problemen hebben, minder aanwezig is. ‘Als psychiater wordt het steeds lastiger om aan bemoeizorg te doen. Die wordt voor een groot deel overgelaten aan gemeentelijke teams, met wisselende expertise. Wij kunnen dus bijna geen band meer opbouwen met mensen die weerstand tegen hulpverlening hebben. Wij komen pas weer in beeld als mensen een gevaar vormen, voor zichzelf of voor de samenleving. Dan zijn ze er zo erg aan toe, dat we vaak alleen nog maar met dwang kunnen ingrijpen.’

Volgens Philippe Delespaul, hoogleraar innovatie in de geestelijke gezondheidszorg, speelt er nog iets anders mee. ‘In de publieke opinie heerst het beeld dat verwarde mensen hier te weinig hulp krijgen. Welnee, vaak lopen ze juist gillend weg vanwege de ontoereikende en soms traumatische psychiatrische hulp die ze eerder hebben gekregen.’

Hij vindt dat psychiaters zich laten chanteren door het verhitte debat over verward gedrag. ‘Ieder land heeft verwarde personen. Maar Nederland is het enige land in Europa waar dit fenomeen een politieke discussie is geworden.’ Volgens hem wordt de psychiatrie links en rechts ingehaald door burgemeesters die repressiever zijn dan medisch wenselijk. En door burgers die het niet verdragen als mensen verloederen of overlast veroorzaken. ‘Dat zorgt voor een escalatie aan gedwongen interventies. Psychiaters hebben het daar niet graag over. Maar de angst dat zij door de medische tuchtraad of de publieke opinie worden afgerekend op niet tijdig ingrijpen, speelt een grote rol bij de steeds maar toenemende dwang in Nederland.’

Hij vertelt over Barcelona, waar ze op een bevolking van ruim 1,6 miljoen maar 25 psychiatrische bedden hebben voor alle mensen die ontregeld zijn. ‘Wij hebben op een vergelijkbare populatie vijfhonderd bedden.’ Hij is ervan overtuigd dat meer bedden leiden tot meer opnames. Dat meer mogelijkheden tot dwang, tot meer dwang leidt. En dus ook tot minder creatieve oplossingen om dwang te voorkomen.

In 1994, toen de Wet BOPZ (Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen) werd ingevoerd, werd ernstig gevaar het criterium voor een gedwongen opname: voor anderen of voor de patiënt zelf (suïcidaal gedrag). ‘Die drempel’, zegt Delespaul, ‘was aanvankelijke heel hoog. Maar het gevaarscriterium werd door rechterlijke uitspraken steeds meer opgerekt.’ Zo werd de BOPZ steeds meer aangewend om maatschappelijke teloorgang te voorkomen. ‘Rechters volgden de reflex dat de maatschappij iets moest doen als iemand afgleed. Als dat niet gebeurde, werd de psychiatrie erop afgerekend.’

Zo werd ingrijpen vanuit mededogen het leidende principe bij dwang in de psychiatrie – met een groeiend aantal dwangopnames tot gevolg. De Wet verplichte ggz, die in 2020 werd ingevoerd ter vervanging van de BOPZ, zou het tij van almaar groeiende aantal dwangopnames en dwangbehandelingen keren, was de belofte. De nieuwe wet zou ervoor zorgen dat patiënten minder werden opgesloten en meer behandeld. Ze kregen meer inspraak. Ook de familie kreeg een belangrijkere rol. Dwang zou alleen nog worden toegepast als er echt niets anders op zat.

Van deze beloften lijkt nog weinig terechtgekomen. Het aantal dwangopnames is nog niet gedaald. Platform voor onderzoeksjournalistiek Investico, dat de invoering van de dwangwet een half jaar volgde, beschreef hoe de talloze nieuwe bureaucratische regels rond dwang de zorg eerder slechter dan beter hebben gemaakt. Bovendien lijken allerlei waarborgen voor patiënten, zoals het recht om een eigen plan van aanpak te maken, in de praktijk ‘plichtmatige exercities’ geworden. ‘In de huidige invulling’, schrijft Investico, ‘wordt gedwongen zorg er zelden mee voorkomen.’

Toch opvallend dat uit onderzoek blijkt dat de helft van de patiënten achteraf tevreden is over hun dwangopname, zegt hoogleraar publieke gezondheidszorg Mulder. ‘Ze zijn blij dat er werd ingegrepen. Ook al waren ze het er op het moment suprême niet mee eens.’

Een van die mensen is Hadassa – haar achternaam wil ze uit privacyoverwegingen niet in de krant. Samen met haar man runde ze jarenlang een winkel in onderdelen voor elektrische apparaten. Toen ze ontdekte dat haar 6-jarige dochter seksueel was misbruikt en ze vlak daarna een doodgeboren kind kreeg, stortte ze in. Ze begon zichzelf te snijden. Zeven jaar verbleef ze in verschillende klinieken, waarvan zes jaar achter gesloten deuren. Ze herinnert zich vooral de verveling.

‘Ik mocht een jaar niet naar buiten. De dagen duurden ondraaglijk lang.’ Ook vertelt ze hoe eenzaam ze vaak was. ‘Op het toppunt van een crisis was ik meestal alleen in een isoleercel, bekeken door een camera.’

Inmiddels woont Hadassa alweer een tijdje zelfstandig, samen met haar puberzoon. Ze werkt als ervaringsdeskundige in de ggz. Terugblikkend zegt ze: ‘Ik was ernstig suïcidaal. Die dwangopnames hebben mijn leven gered. Ik ben dolblij dat ik weer normaal functioneer.’

Wat als het weer gebeurt?

Wat als ik nog eens ontregeld raak? Die kans is niet ondenkbeeldig, hoor ik van Ralph Kupka, hoogleraar bipolaire stoornissen. Ik bezoek hem twee jaar na mijn ontslag, om te horen of de diagnose die tijdens mijn opname is gesteld, klopt. Of ik een bipolaire stoornis heb. ‘Als je eenmaal een manie hebt gehad, heb je ook meer kans op een depressie,’ zegt hij. Na twee van die episodes spreek je over een bipolaire stoornis. En ja, erfelijkheid speelt vaak een rol.

Ik dacht lang dat ik de dans was ontsprongen, dat ik niet bij de familieleden hoorde die sinds hun jonge jaren worden geplaagd door stemmingswisselingen. Maar Kupka verzekert me: ‘Ook als je de 50 bent gepasseerd, kan zo’n genetische kwetsbaarheid nog getriggerd worden.’ Hij voegt eraan toe dat de behandeling van een manie moeizaam is, omdat manische patiënten vaak weinig ziektebesef hebben.

‘Omdat ze ervan overtuigd zijn dat ze beter dan ooit functioneren, kunnen ze door hun ondoordachte of provocerende gedrag in grote moeilijkheden komen. Om hen tegen zichzelf in bescherming te nemen, is een dwangopname soms de enige optie.’ Dat denkt ook de psychiater die ik nog elk half jaar bezoek voor medicijncontrole. ‘Op het moment dat jij in beeld kwam, was je al te ver heen.’

Dus wat als het weer gebeurt? Welk traject wordt dan in gang gezet? In plaats van de psychiater van de crisisdienst kunnen onder de nieuwe wet ook mijn buren een melding doen bij de burgemeester, als ze denken dat ik gedwongen zorg nodig heb. De burgemeester moet binnen twee weken een verkennend onderzoek uitvoeren, om in te schatten of ik verplichte zorg nodig heb. Volgens de wet moet de burgemeester mij ook horen. In de praktijk besteden burgemeesters deze hoorplicht massaal uit, blijkt uit het onderzoek van Investico. Voor heel wat studenten is de ‘hoorservice’ inmiddels een lucratieve bijbaan, via het uitzendbureau.

De schrik slaat me om het hart als ik me voorstel hoe een 19-jarige student mijn toekomstige manische gedrag zal interpreteren. ‘Zo gek als een deur, geen touw aan vast te knopen.’

Het alternatieve plan van aanpak, dat ik als patiënt zelf zou mogen opstellen, pakt in de praktijk ook minder gunstig uit dan verwacht. Als ik opnieuw in de war raak, moet ik binnen drie dagen nadat ik een brief van de geneesheer-directeur van een psychiatrische instelling heb ontvangen, schriftelijk melden dat ik zo’n plan wil maken. Hoe moet ik dat voor elkaar krijgen? En stel dat ik er op dat moment niet van overtuigd ben dat ik ziek ben? Of me in mijn hoofd heb gehaald dat de ggz de vijand is?

Gelukkig ontdek ik tijdens mijn zoektocht dat er sinds kort ook enkele Open Dialogue-projecten in Nederland bestaan, die lijken op wat ze in Finland doen. Mijn familie en vrienden hadden zich vast ook meer gehoord gevoeld, als er met ze mee was gedacht over hoe om te gaan met mijn vaak onbegrijpelijke gedrag. Naar je luisteren en bij je blijven, ook als je de weg helemaal kwijt bent. Als ik terugkijk, is dat wat ik zelf het meeste heb gemist.

Dit verhaal is mede mogelijk gemaakt door het Matchingfonds van De Coöperatie, een organisatie van freelancejournalisten.

Praten over mentale problemen kan bij MIND Korrelatie. Bel 0900-1450 voor een gesprek. U kunt ook chatten op www.mindkorrelatie.nl.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden