Kinderrechter dient vandaag te beginnen met bescherming van ouders en kinderen

Zijn kinderrechters onzorgvuldig te werk gegaan bij de uithuisplaatsingen van kinderen in de toeslagenaffaire? Vooralsnog menen zij van niet, maar dat is volgens familierechtadvocaten Ingrid Vledder en Ariane Hendriks een voorbarige conclusie.

null Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant
Beeld Marcel van den Bergh / de Volkskrant

Volgt een jeugdzorgaffaire op het toeslagenschandaal?, kopte dagblad Trouw afgelopen zaterdag. 1.115 kinderen van gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire zijn in de periode 2015–2020 uit huis geplaatst. Inmiddels is het grote vingerwijzen begonnen. Zo heeft de Raad voor de Kinderbescherming geen reden om aan te nemen dat kinderen van gedupeerde ouders ­onterecht uit huis zijn geplaatst. Jeugdzorg Nederland heeft het in een reactie over ‘een sneeuwbal aan problemen die ertoe heeft geleid dat kinderen niet bij hun ouders kunnen opgroeien’, maar gaat voorbij aan haar eigen rol hierin. Beide instanties verwijzen naar de kinderrechters die de verzoeken tot uithuisplaatsing hebben getoetst.

Familie- en jeugdrechters hebben nu via Ellen van Kalveen, voorzitter van de landelijke expertgroep jeugdrechters, laten weten te gaan reflecteren op dit soort zaken, maar nog vorige week twitterden ze via rechtspraak.nl dat er op dit moment geen reden is aan te nemen dat de kinderrechters in deze dossiers onzorgvuldig te werk zijn gegaan. Dat lijkt ons een voorbarige conclusie.

Het is allang bekend dat het in jeugdrechtzaken ernstig schort aan rechtsbescherming voor ouders. Er bestaat geen verplichte rechtsbijstand, verklaringen van medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming worden niet onder ede opgemaakt, er wordt ter zitting onvoldoende aandacht besteed aan het correct vaststellen van de feiten – om maar een paar knelpunten te noemen. En dit alles in zaken waarin voor ouders en kinderen zeer ingrijpende beslissingen worden genomen. Er is alle aanleiding voor de rechtspraak om kritisch te kijken naar de eigen rol in een gemankeerd systeem.

De kinderrechters hoeven niet het wiel opnieuw uit te vinden: onlangs hebben de bestuursrechters gereflecteerd op hun rol in het toeslagenschandaal. In het rapport Recht vinden bij de rechtbank. Lessen uit kinderopvangtoeslagzaken wordt geconcludeerd dat de bestuursrechters het belang van rechtsbescherming van de ouders zwaarder hadden moeten laten wegen. De aanbevelingen van de bestuursrechters zijn ook nuttig voor de kinderrechters. Ook kan worden geleerd van de waarborgen die het strafrecht biedt.

Kinderrechters kunnen vandaag nog beginnen met het actiever onderzoeken van alle relevante feiten en omstandigheden op zitting. De Raad voor de Kinderbescherming is op grond van de wet verplicht om in rapportages en verzoekschriften de feiten ‘volledig en naar waarheid’ aan te voeren, maar deze verplichting wordt in de praktijk eenvoudigweg niet nagekomen. Kinderrechters zouden daarom veel kritischer moeten kijken naar de rapportages die ten grondslag liggen aan verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing.

In het strafrecht zijn rechters verplicht om te motiveren waarom een bepaald verweer wordt gepasseerd, maar in het jeugdrecht worden geregeld beschikkingen gewezen waarin niet of nauwelijks wordt ingegaan op de verweren van ouders. Kinderrechters kunnen per direct besluiten alleen nog beschikkingen te wijzen met een grondige en specifiek op de individuele zaak toegespitste motivering – en zich niet beperken tot een algemene verwijzing naar het belang van het kind. Dat zal er ook voor zorgen dat rechters scherp blijven kijken naar de informatie die door de instanties wordt aangeleverd.

Net zoals de bestuursrechter zich heeft voorgenomen te doen, zou ook de kinderrechter de concrete gevolgen van een beslissing actief moeten onderzoeken en in de beoordeling betrekken. Wij zien dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de negatieve effecten van een uithuisplaatsing. Bijvoorbeeld dat kinderen van het ene naar het andere pleeggezin gaan, of het risico lopen slachtoffer te worden van lichamelijk en geestelijk geweld in jeugdinstellingen.

In de praktijk wordt vaak nauwelijks gewerkt aan terugplaatsing, waardoor kinderen blijvend zonder hun ouders opgroeien. Een rechter die besluit tot uithuisplaatsing, moet zich van dergelijke mogelijke gevolgen rekenschap geven en motiveren waarom die beslissing voor het kind tóch het beste is.

In jeugdrechtzaken hebben partijen per definitie een sterk ongelijke positie. Ouders moeten het opnemen tegen machtige overheidsinstanties. Het is dus van belang dat de rechtspraak – zolang verplichte rechtsbijstand nog niet bij wet is geregeld – het mogelijk maakt dat advocaten ter zitting aanwezig zijn.

Plan dus de zitting rekening houdend met de verhinderdata van de advocaat, zorg ervoor dat advocaten tijdig alle stukken krijgen, neem meer tijd voor de mondelinge behandeling. En ga écht in op wat ouders in hun reactie op de stellingen van de Raad en Jeugdzorg naar voren brengen.

Voor niets van dit alles is een wetswijziging nodig. Het kan meteen. Ieder kind dat ten onrechte uit huis wordt geplaatst is er één te veel. Kinderrechters: maak onmiddellijk werk van de verbetering van de rechtsbescherming voor ouders en hun kinderen.

Ingrid Vledder en Ariane Hendriks zijn cultuurwetenschappers en familierechtadvocaten te Amsterdam.

Lezersbrief: voor de deur

In de jaren zeventig heb ik als beginnend advocaat veel familiezaken en ondertoezichtstellingen gedaan. Mijn ervaringen zijn bitter: het kind in kwestie werd niet gehoord en de kinderechter ging af op de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming. Deze rapporten waren niet onderbouwd en afgezien van vele spelfouten subjectief. Ruimte voor een contra-expertise was er niet; gezinsvoogden deden maar wat en waren niet te controleren, er waren vele wisselingen.

Bij de zitting bleek soms dat de jonge, pas benoemde rechter niet eens tegen de Raad in durfde te gaan. Als je als advocaat kritisch was, werd je beschouwd als dwarsligger.

Het schrijnendste geval dat ik heb meegemaakt betrof een familie uit Nijmegen. Oma voedde haar kleinkind op omdat haar schoondochter daar niet toe in staat was en de vader van het kind, haar zoon, nogal van een biertje hield. Dat ging prima, ze was nog jong en kon de ouders aan. Op de zitting bleek dat de Raad er anders over dacht: het kind moest uit huis worden geplaatst.

Oma en ik hebben ons hevig verzet. Niets mocht baten; het drankgebruik van vader was de Raad een doorn in het oog en het kind mocht daarmee niet worden geconfronteerd. Oma was totaal van streek en snapte er niets meer van. Maar de rechter volgde het advies van de Raad.

Oma was met mij meegereden naar de rechtbank in Arnhem. We waren amper bij haar thuis of de Raad stond voor de deur. Pardoes werd het kind bij oma weggerukt. Verbitterd en bedroefd bleven we achter.

Piet Essink, Ooij

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden