ColumnEva Hoeke

Kinderen vallen, butsen, bezeren zich: maar alles is anders als jíj degene bent die ze laat vallen

Eva Hoeke Beeld
Eva Hoeke

Het was de eerste keer dat ik beide dochters op de fiets van de crèche haalde. 'Ik ga wel vast', had ik even daarvoor tegen de Man gezegd, die vanuit de trein belde dat hij later thuis zou zijn. 'Moet lukken.'

Ik kon me mijn eerste fietstocht met één kind nog goed herinneren. Het gewicht aan je stuur, het zoeken naar een nieuwe balans, je tot in je tenen bewust van dat kleine leven zo hoog boven de grond. Na het eerste rondje kreeg ik vertrouwen, even later werd ik mans en al snel gingen we de hele stad door, boodschappen en al, niks aan de hand.

Met twee kinderen zou dat vast hetzelfde gaan.

Na de begroeting - het mooiste moment van de dag van elke ouder, op de voet gevolgd door het moment dat ze gewassen en gestreken in bed liggen - volgde het geklooi met jasjes en schoentjes, daarna hielp ik ze op de fiets. Die van 1 voorop, die van 2 achterop, en ik in het midden.

En daar ging het fout.

Eén seconde duurde het, niet langer. Maar daar gingen we, onderuit, het ging vertraagd en versneld tegelijk, ik zag het gebeuren maar kon het niet stoppen, en terwijl de fiets de grond raakte en ik mezelf nee hoorde schreeuwen zag ik hoe de kinderen met de koppen tegen de stoep sloegen.

Die van 2 huilde. Die van 1 niet.

Toen ik haar oppakte zag ik de bloederige schram op haar wang, de buts boven het oog en een opengesperde mond waar een gierende huil een aanloop nam, maar niet naar buiten kwam. Ik keek haar aan, zag de paniek in de ogen, die blik van pijn en verbijstering tegelijk, ik riep haar naam, zag het bloed door de gaatjes in haar huid komen, de wegdraaiende ogen, nog steeds geen geluid, waar bleef het geluid, en net toen ik haar van paniek door elkaar wilde schudden begon, godzijdank, het krijsen.

Kinderen vallen, kinderen botsen, ze klimmen tegen de klippen op en vallen eraf op het moment dat jij net één seconde op de plee zit, zo was het bij ons en zo was het bij iedereen, je vroeg je weleens af hoe het in godsnaam mogelijk was dat zoveel kinderen de volwassen leeftijd bereikten. Je leerde er mee omgaan, je kon ze moeilijk vastbinden. Maar hoe moest je je voelen als jij degene was die ze had laten vallen?

Natte doeken, gutsend zweet, de ambulance kwam eraan. Ik belde met de telefoon van de juf, een feitelijk verhaal, ergens tussen Hilversum en Amsterdam stond een volwassen man zich in een overvolle coupé groot te houden.

Even later kwamen de eerste antwoorden. Een hersenschudding, zei de arts in een koele kamer, de komende zes uur waren cruciaal. Het woord hersenbloeding deed me bidden naar een god in wie ik niet geloof.

Die nacht, in een vreemd bed, het kind in een kooitje naast me, dikke plakkers op een miniborst, speelde ik de film af, mijn ogen wijd open op het moment van de val. Er was geen schuld, ik wist het, zoiets kon gebeuren. Maar ik wist ook dat als ze hier iets aan over zou houden, ik het mezelf nooit, nooit zou vergeven.

De ochtend kwam als een verlossing, haar gehavende maar vrolijke snuit het begin van een nieuw bewustzijn. We mochten naar huis, goed in de gaten houden, als ze gek ging doen meteen weer terug komen. Voorzichtig hield ik haar vast, hoog tilde ik mijn voeten op, in de auto kwamen we geen enkele keer boven de snelheidslimiet uit. Thuis kroop ze meteen met een soort krabbegang richting speelgoed, de haren recht overeind.

Gek gezicht, maar goed, ze blijft natuurlijk een kind van ons.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden