ColumnEva Hoeke

Kijk, zo schrijf je een column volgens Eva Hoeke

Schrijf een column als Eva Hoeke, vroegen we. Honderden lezers deden een poging. En hier volgt de winnaar, plus commentaar van Eva zelf

Beeld Aisha Zeijpveld

In 1976 organiseerde dagblad Het Parool een wedstrijd: schrijf een column à la Simon Carmiggelt, destijds hun ster­columnist. Of ‘destijds’, Simon Carmiggelt was veertig jaar lang hun stercolumnist, van zijn eerste cursiefje tot zijn laatste Kronkel, ongeëvenaard en ongeslagen, een dagelijkse bron van jeu en troost, een vriend dus. Grote schoenen om te vullen, maar er werd niettemin gretig in­gestuurd. Zelf deed hij ook mee aan de wedstrijd, anoniem.

Hij werd vierde.

Ik dacht aan dit schitterende verhaal toen dit magazine voorstelde een soortgelijke wedstrijd te organiseren. Een column schrijven zoals Eva Hoeke dat zou doen, ik zeg er eerlijk bij dat ik even aan het idee moest wennen. Of eigenlijk: ik kende de valkuilen.

Ook dat komt door Carmiggelt.

Ik lijk in niets op hem. Lang vond ik dat jammer want voor mij is ­Carmiggelt de beste, de enige, en zoals zovelen heb ik me in mijn eigen schrijven een poosje door hem, laten we zeggen, laten inspireren. Inmiddels zie ik dat als een jeugdzonde, als de gerechtvaardigde en glibberige zoektocht van elk beginnende schrijver naar zijn eigen taal. Maar fraai was het niet. Hoe goed Carmiggelt ook was, zo diep melancholisch en toch zo ongehoord geestig, die toon was van hém en niet van mij, vrouw uit een andere tijd, van een andere leeftijd, tappend uit een ander vaatje. Het sloeg nergens op om met diezelfde ogen door de stad te wandelen, om met diezelfde stem de wereld te beschrijven. Goed, we delen misschien dezelfde blik, misschien zelfs dezelfde zwak voor hen die er net naast piesen, maar ik was simpelweg te onervaren om die blik fatsoenlijk op papier te krijgen. Dat inzicht bracht me tot de essentie van het schrijven van een goeie column: het vinden van je éígen vertelstem.

Het duizendste Volkskrant Magazine is verschenen. Scroll, swipe en klik door die 1000 magazines en zie hoe vaak er een VVD’er op de cover stond. Hoe vaak een hond. Op welke covers we kozen voor naakt, welke fotograaf hofleverancier was en hoeveel Anton Corbijn er afleverde.

Het slechte nieuws: een wedstrijd als deze is daarom in wezen een intrinsiek onnozele.

Het goede nieuws: je kunt er wel een hoop lol aan beleven.

Voor deze wedstrijd vrat ik me samen met de redactie door honderden columns heen, een berg aan zware ­belevenissen en olijke kwinkslagen, een even hondsvermoeiende als vrolijkmakende exercitie. Ik las ­jaloersmakende vondsten en interessante gedachten, maar ook jetsers van fouten, ­fouten die ik, ik kan het niet genoeg benadrukken, ook allemaal zelf heb gemaakt. Geschmier, clichés, happy ends, gekunstelde mooischrijverij of juist oubollig, vrouwen die zich voordoen als Bridget Jones en mannen die lollig willen wezen, een flauwe pointe of überhaupt geen pointe, alles kwam voorbij. Maar ook: lieve monumentjes voor ouders in tehuizen, ragfijne beschrijvingen van verdriet, onderkoelde humor in trefzekere zinnetjes.

Een van hen heb ik als winnaar uitgekozen. Niet omdat-ie feilloos geschreven is, maar dat hindert niet. Schrijven is en blijft een vak – van mij verwachten jullie ook niet dat ik van de ene op de andere dag kan loodgieten. Maar deze schrijver had iets: oog voor decor, gevoel voor detail, een dijk van een uitsmijter en daartussendoor, onuitgesproken maar ondubbelzinnig, het idee van een aardig mens achter de computer, en dáár gaat het om – al het andere kun je leren.

Tot slot richt ik me tot diegenen die niet hebben gewonnen of überhaupt niet durfden meedoen, want voor hen heb ik een bemoedigend woord: schrijven is, naast een zeker talent en de dure plicht zo zorgvuldig mogelijk naar de mens te kijken, simpelweg een kwestie van veel lezen en meters maken, keer op keer en dan maar lekker veel je neus stoten, om op een dag te merken dat je ineens een level verder bent. Zo heb ik het ­geleerd, zo hebben de grote jongens het geleerd, en zo zullen jullie het ook leren.

Alleen het niveau van Carmiggelt, dat haalt niemand.

DE WINNAAR: Gerian Dijkhuizen met Geboortekaartje, wint publicatie en het boek Eerlijk zeggen van Eva Hoeke. Dat boek gaat ook naar de nummers 2 en 3:  Ria Cobelens met de column over een katje uit het asiel en Patricia Harmen met Niemandsland.

Geboortekaartje

‘Neem dat kaartje nu mee. Ik ken die mensen helemaal niet.’ Mijn moeder wijst naar het geboortekaartje van Lucas dat in de vensterbank staat.

‘Mam, dat is je nieuwe achterkleinzoon.’ Ik zeg het voor de zoveelste keer [1] en weet dat het niet beklijft.

‘Ik hou het allemaal niet meer bij hoor. Stuur ze maar een kaartje terug dan.’ Mijn moeder zucht en begint haar bril schoon te poetsen.

Vervolgens zet ze hem op haar neus en zegt: ‘Waar is nou mijn bril?’

Het kost me geduld, veel liefde en een uitgerust hoofd om hier kalm onder te blijven. [2]

‘En die foto’s van de buren moet je ook maar meenemen’, gaat mijn moeder verder. ‘Wat moet ik daarmee?’

Dit keer knikt haar hoofd richting vensterbank. Daar staan de foto’s die we maakten met Kerst: de hele familie bij ­elkaar. Ik zwijg. [3]

Mijn moeder verandert van onderwerp. ‘Wat staan mijn plantjes mooi hè, op het balkon? Die heeft je vader toch weer goed verzorgd.’ Ik schenk haar een glimlach, laat het zo. Mijn vader is al 36 jaar dood en de plantjes houdt mijn man met zijn niet-groene vingers fantastisch bij; hij geeft ze water en haalt de oude bloemen uit de geraniums. Die hebben we op haar balkon gezet, omdat moeder steeds klaagde over het gebouw waar ze tegenaan keek door haar raam.

Inderdaad een lelijk modern gedrocht [4] met ramen die vooral ’s morgens de kamer van mijn moeder bloedheet maken, omdat het zonlicht dan weerkaatst in al dat glas. Het licht is zo scherp dat de gordijnen van 11 tot 12 uur dichtgaan.

‘Ik kan het ook best zelf doen, hoor, klim ik gewoon uit het raam... maar het mag niet van hier.’ Er mag veel niet van hier, vindt mijn ­moeder. [5]

Zelf douchen mag ze niet meer, zelf de kamer schoonmaken is er niet bij en van kiezen wat ze wil eten hebben ze hier ook nog nooit ­gehoord.

Maar wat heb ík veel geleerd van ‘hier’. [6] Mijn moeder is nu een jaar opgenomen met alzheimer. De lockdown vanwege het coronavirus heeft haar dieper de ziekte ingetrokken. Bijna drie maanden zagen we elkaar niet in levenden lijve. We zwaaiden buiten naar het raam waarachter de schim van mijn moeder stond. We probeerden te skypen, maar daar begreep ze eigenlijk niets van. Soms liep ik door mijn tuin met de iPad en liet haar de bloemen zien, maar dan zag ik algauw dat ze met de verzorging aan het praten was en niets meekreeg van mijn tour du jardin. [7]

‘Nou laten we maar weer ophangen, want die zuster hier moet weer aan het werk’, was haar vaste tekst als ze het gesprek wilde beëindigen.

‘De zuster?’, hoorde ik zeggen: ‘Nee, mevrouw, het is uw dochter. Ik kom zo de iPad wel weer halen.’ Maar eigenlijk durfde mijn moeder niet alleen met het digitale wonder te blijven. Bleef de verzorgende wel naast haar zitten, dan koos ze al snel voor een gesprek met haar en vergat ze dat ik aan de andere kant van de virtuele wereld zat. [7]

Tot overmaat van ramp ging in die tijd ook haar telefoon kapot. Zoals veel kapotgaat en verdwijnt in haar kamer van 3 bij 4. Niet te snappen hoe de ­dingen zoekraken en op de gekste plekken weer worden teruggevonden. Of niet.

Zo was ik in de winter een keer een sjaal van ruim 2 meter vergeten bij haar, en die is nooit meer teruggevonden. [8]

‘Maar wie is dat kind dan? Is het van je buren?’ Weer ligt de focus op Lucas’ geboortekaartje in de vensterbank.

En dan trap ik er weer in [9], ondanks het geleerde: praat eroverheen, laat niet merken dat ze het niet meer weet, want dat is zo confronterend.

‘Mam, het is je achterkleinzoon, de zoon van je kleindochter.’ Mijn

moeder schudt haar hoofd en zegt: ‘Ach, je bent gek, of anders ben ik dat wel. Ik weet het ook allemaal niet meer, hoor. Je moet me maar laten opsluiten.’ [10]

Gerian Dijkhuizen

Commentaar:

1 Alzheimer: Herkenbaar thema. Je houdt je moeder in ere, maar ze is geen heldin, een realistisch monumentje.

2 Je maakt jezelf ook niet heilig: je blijft geduldig, met moeite.

3 ‘Ik zwijg.’ Heel goed! Klare taal, geen woord te veel.

4 Kijk uit voor clichés: moderne gebouwen worden al snel beschreven als lelijke gedrochten, het is ­dubbelop ­bovendien.

5 ‘Er mag veel niet van hier’ Een kalme, relativerende verteller staat hier op, iemand die weet hoe zit. ­Subtiele humor bovendien.

6 Fijne afwisseling: ín de scène, en afstand nemen door te beschrijven wat eraan voorafging.

7 Goed oog voor decor en details: het fotolijstje, de echtgenoot die oude bloemen uit de geraniums plukt, en hier: het geklooi met die iPad – ontroerend

8 ‘Lange sjaal’ Zou ik eruithalen, het is te veel van het goede.

9 ‘En dan trap ik er weer in’ Ook beter eruit, overbodige herhaling. Als je het eruithaalt, mis je niks.

10 Opsluiten Sublieme uitsmijter, de lezer blijft met een bitterzoet gevoel achter. Knap!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden