Kiezers in Europa hebben geen inzicht

Ben Crum gelooft niet dat kiezers bij Europese verkiezingen thuisblijven omdat ze de elite van experts zo vertrouwen. Verhoog de opkomst, beloof méér in juni.

Elke keer als de opkomst bij verkiezingen laag is, klinken er twee verklaringen. De ene luidt dat de kiezer blijkbaar tevreden is en dat het wel goed zit met zijn belangen. De andere verklaring is negatiever en stelt dat de lage opkomst het gevolg is van desinteresse en vervreemding.

Adriaan Schout en Jeroen van Dijken, deskundigen van het Instituut Clingendael, betogen dat kiezers zich niet interesseren voor het Europees Parlement omdat ze aanvoelen dat dit EP in wezen overbodig is (Forum, 10 januari). Zij stellen dat Europees beleid voldoende gelegitimeerd kan worden als het in handen ligt van experts en van nationale parlementen als die hun regeringen effectief controleren. Volgens hen komt de geringe belangstelling van kiezers voor de Europese verkiezingen dus voort uit een rationele overweging.

Experts

Verkiezingsonderzoeken geven echter weinig aanleiding te veronderstellen dat kiezers het werk van de Europese beleidsexperts en de nationale regeringen vertrouwen.
Ook is er nogal wat af te dingen op de legitimerende rollen die Schout en Van Dijken toedichten aan deze experts en parlementen. Wat de experts betreft zijn er inderdaad Europese taken die uitstekend door hen vervuld kunnen worden, zoals het vaststellen van de rentevoet of het toekennen van patenten.

Het betreft hier echter niet alle EU-taken; ook is het een misvatting te suggereren dat dit soort technische zaken uitgevoerd kunnen worden zonder politieke richtlijnen. Politieke keuzes zijn nodig om een afweging te maken tussen de verschillende belangen, ideologieën en beleidstradities.

Ver weg

Wat betreft de rol van de regeringen, die hun ministers afvaardigen naar de Europese Raad van Ministers, is het echter de vraag of de uitkomsten van hun onderhandelingen voldoende gelegitimeerd worden door de controle door de nationale parlementen. Daarin zijn Europese zaken doorgaans van ondergeschikt belang. Dat is logisch, want Europa is ‘ver weg’ en de invloed van nationale parlementariërs op de uitkomst van de regeringsonderhandelingen is marginaal.

Bovendien betekent het feit dat elke regering wordt gecontroleerd door het eigen parlement nog niet dat de Raad van Ministers als geheel wordt gecontroleerd. In dat opzicht fungeert het Europees Parlement als een passende tegenpool en dan is het essentieel dat het EP zich kan beroepen op een eigen kiezersmandaat.

Gebrek aan inzicht

In tegenstelling tot wat Schout en Van Dijken beweren, is er veel te zeggen voor de gebruikelijke geluiden dat het gebrek van interesse van kiezers in Europa niet wordt veroorzaakt door inzicht, maar juist door gebrek aan inzicht. Een terugkerende bevinding in kiezersonderzoeken is dat kiezers vinden dat zij te weinig kennis hebben van de EU. Ook zijn er tal van signalen – waaronder het ‘Nee’ in 2005 tegen het Grondwettelijk Verdrag – die erop duiden dat kiezers allesbehalve vertrouwen hebben in de elite van experts.

De verkiezingen voor het Europees Parlement (dit jaar in juni) kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de democratische legitimatie van de EU, om burgers het vertrouwen te geven dat Europa hén dient en niet slechts de belangen van losgezongen beleidselites.

Verbeteringen

Inderdaad ontbreekt er het nodige aan de aantrekkingskracht van het EP. Sommige verbeteringen zijn slechts denkbaar op de langere termijn, zoals het opheffen van het gereis tussen Straatsburg en Brussel, het verkleinen van de omvang van het EP, en het verleggen van de parlementaire aandacht van beleidsdetails naar de politieke hoofdlijnen.

Toch moet het lukken de aantrekkingskracht van de Europese verkiezingen te vergroten. Eén van de belangrijkste verschillen tussen nationale en Europese verkiezingen is dat de Europese verkiezingen geen zichtbare impact hebben op de samenstelling van de regerende macht.

Sociaal-demcocratische tegenkandidaat

De inzet van de verkiezingen zou aanmerkelijk omhoog gaan als bijvoorbeeld de christen-democratische partijen, zoals het CDA, bij voorbaat zouden aangeven dat zij, als zij de verkiezingen winnen, ervoor zullen zorgen dat het Commissievoorzitterschap van de christen-democraat José Manuel Barroso wordt voortgezet. Formeel wordt de voorzitter van de Europese Commissie namelijk aangesteld op basis van de verkiezingsuitslag en kan de aanstelling door een meerderheid van het Europees Parlement worden verworpen.

Nog mooier zou het zijn voor de aantrekkingskracht van de verkiezingen als de sociaal-democraten, waaronder de PvdA, met een tegenkandidaat zouden komen (Tony Blair?).

Indien dit soort initiatieven stukloopt omdat nationale partijen niet in staat zijn overeenstemming te vinden over hun Europese voorkeurskandidaat, dan nog bestaat de mogelijkheid om de inzet van de Europese verkiezingen te verhogen op nationaal niveau. De Nederlandse regering kan voorafgaand aan de verkiezingen toezeggen dat het Nederlandse lid van de Europese Commissie wordt voorgedragen uit de partij die in Nederland de meeste stemmen haalt.

Partijen worden daarmee uitgedaagd bij voorbaat aan te geven wie, als het aan hen ligt, namens Nederland deel gaat uitmaken van de Commissie. Zo wordt de voordracht van de Commissie uit de achterkamertjessfeer gehaald en weten kiezers dat hun stem niet alleen bepaalt wie er namens hen in het Europees Parlement zit, maar ook welke Nederlander Neelie Kroes opvolgt als lid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.