ColumnRinske van de Goor

Kanker is een baan, een kankerbaan

null Beeld

Shit, denk ik. Ik staar naar de uitslag van het bevolkingsonderzoek van Marije. Zeer verdacht voor borstkanker. Marije is een fitte, 50-jarige vrouw, ze werkt vier dagen per week in het onderwijs en heeft thuis twee pubers op de bank hangen. Ik bel haar meteen op. Monter als altijd neemt ze op. Ze is thuis aan het werk, maar het kan wel even. Als ik haar vertel dat de uitslag niet goed is reageert ze nuchter – haar moeder had ook borstkanker dus het verbaast haar niet dat ze het ook krijgt en ze is blij dat ze naar de screening is gegaan. En nu dan? vraagt ze. Ik regel een afspraak voor de volgende dag bij de mammapoli, waar ze alle aanvullende diagnostiek zal krijgen en dan binnen een week een behandelvoorstel krijgt. Fijn, zegt ze.

Ze is welkom om langs te komen en ze moet vooral niet aarzelen om te bellen als ze slecht slaapt, of stress heeft. Prima hoor, zegt ze, maar nu niet nodig.

Anderhalve week later komt het behandelvoorstel binnen: eerst opereren, daarna maanden bestraling en chemotherapie en dan nog jaren pillen. Ik bel Marije weer. Achter haar hoor ik een krijsende massa: onmiskenbaar schoolpleingeluiden. Ja, verontschuldigt ze zich, het is pauze – ik loop wel even naar binnen! Ik vraag haar hoe het is, en ze zegt opgewekt prima, ze heeft geluk gehad, geen uitzaaiingen gevonden, en ze is niet ziek, dus werkt ze maar gewoon lekker door tot de operatie. Die wil ze maar gehad hebben. Ze voelt zich strijdlustig.

In de loop van de maanden spreek ik haar vaker. De operatie was eigenlijk zo gepiept, maar toen begon het pas. De vele ziekenhuisbezoeken, het wachten, de bestralingen, de chemo. Ze doorstaat het allemaal dapper. Na de laatste chemo gaat ze met het gezin uit eten, om het te vieren. Ze hoeft alleen nog dagelijks 1 pil te slikken, die haar kans dat de borstkanker terugkomt echt minimaliseert. Iedereen is blij voor haar dat ze genezen is.

Ik bel haar weer eens op. Maar nu klinkt ze afgevlakt. Ze is moe, zegt ze. Waar ze het eerst fijn vond om te werken, trekt ze nu de drukte van de kinderen op school niet goed. Thuis is ze prikkelbaar en dat leidt tot conflicten met haar pubers. Ik vraag of ze langs kan komen. Die middag zit ze tegenover me. Haar ogen staan moe. Ik snap het niet, zegt ze. Ik was helemaal niet ziek toen de borstkanker ontdekt werd en ik heb geluk gehad, de behandelingen zijn allemaal heel goed gegaan en goed aangeslagen.

Jij hebt het ook heel goed gedaan, zeg ik. Maar je bent denk ik ook wat overwerkt. Kanker is een baan. Ja, dat heb je vaker gezegd, herhaalt ze, kanker is een baan. En bikkel als je bent dacht je dat er wel even bij te doen, zeg ik. Ik schrijf haar rust voor. Rommelen in huis. De bestekla schoonmaken. Theedrinken met vriendinnen. Beukennootjes zoeken in het bos – juist nu, want die zijn er nu niet.

Ze zucht. Voor het eerst beseft ze: ik heb er een baan bij – en wat een kankerbaan.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden