Essay Israël

Juist zij die van Israël houden, mogen niet wegkijken

Het bezoeken van de bezette Westoever wordt door Israël ontmoedigd, maar Maurits de Bruijn ging erheen en vindt dat iedereen moet weten wat zich afspeelt achter de muur van 2015.

Beeld Alexandra España

In groep 7 stond ik voor de klas om een spreekbeurt te houden. Met trillende stem sprak ik de eerste zin uit. ‘Israël is een land in het Midden-Oosten.’ Vol bewondering sprak ik over het land van de zee, woestijn en hummus, land van de Bijbel, waar mijn Joodse moeder thuishoorde omdat in diezelfde Bijbel heel duidelijk stond geschreven aan wie dat Beloofde Land beloofd was, en daarmee hoorde ook ik daar thuis.

Veel van de informatie die ik vertelde, had ik overgenomen uit een bibliotheekboek. Op de eerste pagina was een landkaart te zien, er volgde een hoofdstuk over de taal, inwoners, het eten, de gebruiken, de natuur en industrie. Wat het boek me niet vertelde, was hoe Israël het land op dat kaartje had verkregen, welk volk verjaagd moest worden voordat de Israëli’s zich het land konden toe-eigenen en welke voorgeschiedenis ervoor had gezorgd dat dit alles werd gedoogd door de internationale gemeenschap, inclusief het Nederland waarin ik opgroeide.

Met elke wandaad die mij op latere leeftijd bereikte, veranderde mijn bewondering meer in onbegrip, schaamte en frustratie.

Vorige week nog is in Israël een omstreden wet aangenomen waarin het land officieel gedefinieerd wordt als ‘Joodse natiestraat’, waarin Jeruzalem de ongedeelde hoofdstad is en het Arabisch (dat door ongeveer 20 procent van de bevolking gesproken wordt) niet langer een officiële taal vormt. Illegale Joodse nederzettingen op bezet Palestijns gebied zijn vanaf nu ‘een kwestie van nationaal belang’.

Politici van de regerende partij maken er geen geheim meer van dat het land volgens hen in zijn geheel aan het Joodse volk toebehoort, precies als het landkaartje in mijn bibliotheekboek liet zien, en om dat te bereiken wordt geen middel geschuwd. Israëlische rechtbanken trachten de verwoesting van gehele dorpen te legitimeren, andere wetten gedogen de inname van Palestijns land door er nederzettingen op te bouwen.

Israël negeert internationale afspraken en maakt een tweestaten-oplossing onmogelijk. Sinds de Zesdaagse Oorlog van 1967 is de groei van illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever constant doorgegaan. Gedurende 51 jaar militair bewind over de Westelijke Jordaanoever heeft Israël grote stukken land ingenomen en 600duizend Israëli’s in honderden nederzettingen laten wonen, in beduidend betere omstandigheden dan hun Palestijnse landgenoten.
De Palestijnen die in bezet gebied wonen zijn stateloos, nooit vrij van de aanwezigheid van Israëlische militairen, hebben geen toegang tot goede gezondheidszorg, geen controle over waterlevering, en zijn niet vrij om het gebied te verlaten wanneer zij dat willen.

Zowel binnen als buiten Israël spreken steeds meer Joden zich openlijk uit over de wandaden die de staat op zijn geweten heeft en de erbarmelijke omstandigheden waarin de Palestijnen leven. Ilana Hammerman en David Harel schreven onlangs een opvallend en belangwekkend opiniestuk in The Guardian, waarin ze hun afschuw uitspreken over het beleid van hun thuisland. Ze vrezen de toenemende spanningen in hun land, dat volgens hen afkoerst op een catastrofe waarbij veel bloed vergoten zal worden.

‘Apartheid is de term die wij onderling gebruiken’, zei Harel, doelend op de groep intellectuelen die hij met het artikel vertegenwoordigt, in een podcast. ‘Voor ongeveer elke pijler voor een normaal leven: onderwijs, gezondheidszorg, overheidsdiensten, worden Israëli’s totaal anders behandeld dan Palestijnen. Dat is apartheid. Er bestaat geen beter woord voor.’

Hammerman en Harel zien zichzelf als patriottische burgers die een positieve bijdrage leveren aan de Israëlische cultuur en wetenschap. Dat is belangrijk, omdat Joodse critici van het regime al te vaak worden weggezet als zelfhatende Joden, zoals niet-Joden die de Israëlische staat bekritiseren vaak bestempeld worden als antisemiet.

Schaamte

Sinds mijn spreekbeurt in groep 7 heb ik Israël vier keer bezocht. Hoe ouder ik werd, hoe meer schaamte het land me bezorgde, hoe meer ik twijfels ik kreeg over mijn bezoeken. Ik wilde Israëls misdadige politiek niet normaliseren door een strandvakantie naar Tel Aviv te boeken, door mijn handen op de Klaagmuur te leggen en te negeren dat er iets verderop een groep wordt onderdrukt. De enige manier waarop ik mijn bezoek van deze zomer voor mezelf kon verantwoorden, was door Palestijns gebied te bezoeken, ook nadat mijn Israëlische vrienden me hadden verzekerd dat dat te gevaarlijk zou zijn.

De man achter het loket van het Jeruzalemse busstation verzekerde me dat het 13 kilometer verderop gelegen Ramallah geen bestemming was. ‘Daar gaan we niet heen’, zei hij woedend. Een jongen die op het station telefoons verkocht, glimlachte, maar ook hij vond een bezoek aan de Palestijnse stad een slecht idee.
Toch stapte ik de bus in die me vanaf het Arabische gedeelte van Jeruzalem bracht naar de stad die van haar omgeving wordt gescheiden door de beruchte muur, apartheidsmuur of Westoeverbarrière: een 10 meter hoge, betonnen constructie die in 2015 werd gebouwd. Bij de checkpoint mocht de bus doorrijden, daarachter wachtte een op het eerste gezicht vrolijke, levendige Arabische stad, waar vooral de graffiti getuigde van de pijn die mensen lijden.

Toen dezelfde bus weer naar Jeruzalem reed, werden we bij de grenspost door Israëlische soldaten met automatische geweren gecontroleerd. Ouderen, ouders, kinderen en toeristen mochten blijven zitten, alle anderen moesten de bus verlaten en de grensovergang te voet passeren. Nadat een passagier was ondervraagd, verlieten de piepjonge soldaten de bus. Vijf minuten later zag ik de lichtjes van Jeruzalem en kon ik me niet voorstellen dat ik tot drie keer toe Israël van de Dode Zee tot aan Tel Aviv had verkend, zonder ook maar één keer mijn best te doen de barrières te kruisen. Dat geldt voor veel toeristen.

‘Birthright trip’

De groepen Joodse maar niet Israëlische (veelal Amerikaanse) jongeren die hun gratis ‘Birthright trip’ maken, zijn voor veel Israëli’s een bekend fenomeen. De Birthright-organisatie, die ook een Nederlandse tak kent, is van mening dat ‘iedere Joodse jongere het recht heeft een eerste bezoek aan Israël aangeboden te krijgen van het Joodse volk’. Het doel van deze reizen is het smeden van een band tussen de wereldwijde Joodse populatie en de Israëlische staat.

De jongeren, per jaar zo’n veertigduizend, worden langs historische plaatsen geloodst, maken kennis met de Israëlische cultuur, maar maken geen kennis met de realiteit achter de muur: de checkpoints, de vluchtelingenkampen, de openluchtgevangenissen. Het programma wordt deels gesponsord door prominente, rechtse, Joodse en Israëlische donateurs.

Afgelopen juni besloten vijf deelnemers op de laatste dag van hun reis de bus te verlaten om het bezette Hebron te bezoeken. De vijf verklaarden voor hun medereizigers: ‘Wij begonnen aan deze reis in de hoop dat, zeker in het licht van de recente aanval op meer dan honderd demonstranten in Gaza en nadat Trump de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem had verplaatst, dat Birthright ons zou voorzien van eerlijke, onpartijdige informatie. We kwamen hier met vragen over de bezette gebieden, maar de afgelopen tien dagen werd duidelijk dat Birthright daar niet op wenst in te gaan. Er blijkt bij Birthright geen plek te zijn voor jonge Joden die kritische vragen hebben over Israël.’

Kritiek

De kritiek uit de Joodse gemeenschap zwelt aan. Net als de prominente Joden in The Guardian, pikken Birthright-reizigers het niet langer. Iedere Jood moet zich een mening vormen over wat er in dat betwiste land aan de Middellandse Zee gebeurt. Wegkijken is niet mogelijk, omdat je, waar je ook woont, in verband wordt gebracht met Israël. Vroeger vond ik dat onterecht, inmiddels ben ik blij dat ik werd gedwongen om me te verhouden tot deze bijzonder ingewikkelde politieke situatie.

Ik weet nu dat ik kan proberen het moeilijke gesprek te voeren, Palestijns gebied kan bezoeken, en bij terugkomst mensen kan vertellen over wat ik heb aangetroffen. Ook mijn Israëlische vrienden bleken vrijwel niets te weten van het land dat zich achter de muur bevindt.

Het jodendom is geen religie van blinde gehoorzaamheid, maar één van bevragen. Voor joodse ouders is het een religieuze plicht om kinderen te leren vragen te stellen, kritisch te zijn. Het vormt een van de diepste waarden van het geloof. Waarom worden Joden dan zo snel beticht van zelfhaat wanneer ze de daden van de Israëlische staat bevragen? Waarom worden niet-Joden weggezet als antisemitisch wanneer ze zich uitspreken tegen het neokoloniale beleid van Israël?

Gezonde relatie

Juist zij die van het land houden, kunnen niet langer de andere kant op kijken. Het werkt als bij een gezonde relatie: als er echte liefde is, moet er ook echte kritiek mogelijk zijn. De staat Israël ziet dat anders. De Nederlandse activist Lydia de Leeuw werd vorige week toegang tot het land ontzegd, omdat ze de boycot van ­Israël zou promoten. Vorig jaar is er een wet aangenomen die het mogelijk maakt BDS-activisten (Boycot, Desinvesteringen en Sancties) te weigeren. Maatregelen als deze maken Israël een steeds benauwdere plek met totalitaire trekjes.

Ik hoop dat ik een vijfde keer naar Israël kan afreizen, dat de grens voor iemand die een kritisch opiniestuk heeft geschreven openblijft en dat ik ook de volgende keer een bezoek aan Palestijns gebied kan brengen, zodat ik de kant die de regering-Netanyahu verborgen wil houden scherper in het vizier krijg. 

  Maurits de Bruijn is schrijver en kunstenaar.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden