Joshua Foer: 'Wat blijft er over van ons geheugen?'

We beleven een epidemie van geheugenverlies. We worden overstroomd met informatie en zijn een soort zeef geworden die alleen opvangt wat ons aanspreekt. Dat zegt wetenschapsjournalist Joshua Foer.

© THINKSTOCK

Ik wil u vragen mee te doen aan een kort experiment in zelfonderzoek. Denkt u eens terug aan de colleges uit uw eerste studiejaar. Hoeveel van de kennis die u toen is bijgebracht, kunt u zich nog herinneren? Of denk eens aan een boek dat u vorig jaar hebt gelezen. Wat kunt u zich daar nog van herinneren? Hoeveel zult u zich er over een jaar nog van herinneren? En over tien jaar?

Spoorloos verdwenen

Als lezen alleen bedoeld was om kennis op te slaan, dan zou het verreweg onze minst doelmatige bezigheid zijn. Zelf kan ik urenlang een boek lezen en als ik het dan wegleg, heb ik hoogstens een vaag idee waar het over ging. Al die feiten en anekdoten maken meestal maar even indruk op me, en zijn dan weer spoorloos verdwenen. En ik denk dat veel mensen net als ik zijn.

We beleven een epidemie van geheugenverlies. We worden overstroomd met informatie en zijn een soort zeef geworden die alleen opvangt wat ons aanspreekt. We laten in onze vormende schooljaren informatie in onze hersenpan proppen, terwijl daar als we volwassen zijn maar een verbazend klein deel van blijft hangen. Het eigenaardige is dat we dit weten en het toch niet bijzonder vreemd of schandalig lijken te vinden.

Onze scholen hebben als een van hun belangrijkste taken de volgende generatie met de collectieve kennis van de cultuur te doordrenken. Daarin falen ze aantoonbaar. Dat weet iedereen. Toch sturen we onze kinderen altijd maar weer naar diezelfde scholen, verslinden we altijd maar weer boeken, kranten en websites - en vergeten we altijd maar weer wat we leren. Chronische vergeetachtigheid is een wezenskenmerk van onze cultuur.

Maar dat is niet altijd zo geweest. Er was een tijd dat gedachten zich alleen lieten onthouden. Er was geen alfabet om ze in te verwoorden, geen papier om ze op te schrijven. Alles wat bewaard moest worden, moest in het geheugen worden bewaard. Elk verhaal dat moest worden verteld, moest eerst worden onthouden.

Stampen en vergeten
Tegenwoordig hoeven we dankzij internet nog zelden meer dan de juiste combinatie zoektermen te onthouden om toegang tot het collectieve geheugen van de mensheid te krijgen. We hebben ons geheugen vervangen door technische hulpstukken en zijn daardoor bevrijd van de last om informatie in onze hersenen op te slaan. Deze technieken tot uitbesteding van ons geheugen hebben iets veranderd aan de manier waarop we denken. Nu we weinig meer hoeven onthouden, lijkt het wel of we zijn vergeten hoe dat moet.

Wie onder een stortvloed van gedrukte woorden leeft, kan zich moeilijk indenken hoe er werd gelezen in de tijd vóór Gutenberg, toen een boek een zeldzaam handgeschreven voorwerp was. Nog tot in de 15de eeuw waren er van een tekst misschien maar enkele tientallen exemplaren. Een geleerde die een boek las, wist dat er een gerede kans was dat hij die tekst nooit meer zou zien en dat het dus heel wat waard was om te onthouden wat hij las. Zoals Petrarca het verwoordde: 'Wat ik 's ochtends at, verteerde ik 's avonds; wat ik als jongen inslikte, herkauwde ik als oudere man. Ik heb die geschriften grondig in me opgenomen en ze niet alleen in mijn geheugen, maar ook in mijn merg geplant.'

Met de komst van de drukpers omstreeks 1440 veranderde dit. In de eerste eeuw na Gutenberg verveertienvoudigde het aantal boeken. Voor het eerst konden mensen zonder grote welstand over een kleine bibliotheek beschikken en een schat aan gemakkelijk te raadplegen externe geheugens bij de hand hebben. Door de bijbehorende kennisexplosie verschoven de grenzen van het menselijk begrip en was er veel meer voor nodig om een compleet generalist te zijn. Begin 18de eeuw werd Athanasius Kircher, de jezuïtische geleerde die bij vrijwel elk intellectueel onderwerp van zijn tijd een vinger in de pap had, omschreven als de 'laatste man die alles wist'.

Verwoestende gevolgen
Tegenwoordig lezen we boeken extensief, zonder al te diep te gaan, en op een zeldzame uitzondering na lezen we elk boek maar één keer. We hechten meer aan de kwantiteit dan aan de kwaliteit van wat we lezen. We hebben geen keus, als we de cultuur in de breedte willen bijhouden. Ook op onze scholen stellen wij de breedte van het leren boven de diepte, met verwoestende gevolgen voor het langetermijngeheugen.

Een van de best bewezen geheugenprincipes is de waarde van het leren met tussenpozen. Herinneringen blijven het best bewaard als ze in herhaalde sessies worden vastgelegd. Wil informatie beklijven, dan kunnen we die het best leren, even laten rusten, later nog eens bekijken, er afstand van nemen en er weer op terugkomen. Alles wat op deze manier is geleerd, wordt veel beter onthouden.
Toch staat de opzet van ons onderwijs hier lijnrecht tegenover. In plaats van geregeld op de leerstof terug te komen, is het leerplan uit blokken opgebouwd. We leren de stof in één ruk. Van leerlingen wordt gevraagd te stampen voor een eindexamen, en de dag erna mogen ze alles wat ze net hebben geleerd weer helemaal vergeten. Al onze kennis over de werking van het geheugen wijst erop dat dit een recept voor vergeetachtigheid is.

In de hedendaagse pedagogie is het bijna vloeken om iets uit het hoofd te laten leren. De waardedaling van het klassikaal geheugen had haar wortels in de polemische roman Emile (1762)van Jean-Jacques Rousseau, waarin de filosoof een denkbeeldig kind opvoerde dat werd grootgebracht met een 'natuurlijke opvoeding', door alleen uit eigen ervaring te leren. Rousseau vond het afschuwelijk als kinderen uit hun hoofd moesten leren, maar moest even weinig hebben van andere onderwijsbeperkingen. 'Lezen is de grote plaag van de kindertijd', schreef hij.

Maar begin 20ste eeuw verwierven de kinderhoofden hun informatie, vooral over geschiedenis en aardrijkskunde, nog altijd door die uit het hoofd te leren. Leerlingen moesten gedichten, jaartallen, hoofdsteden en nog veel meer uit het hoofd leren. Dit stampwerk diende niet alleen om informatie van leraar op leerling over te brengen, maar er werd ook gedacht dat het een constructieve uitwerking op de hersenen had. Wie uit het hoofd leerde, zo werd gedacht, ontwikkelde zijn vermogen om te onthouden.

Kindgericht
Eind 19de eeuw pleitte een groepje progressieve opvoedkundigen onder leiding van de Amerikaanse filosoof John Dewey voor een nieuw type onderwijs. Ze grepen terug op de idealen van Rousseau en legden een nieuwe klemtoon op het 'kindgerichte' onderwijs. Er werd niet meer uit het hoofd geleerd, maar geleerd door ervaring. Leerlingen leerden niet meer rekenen dankzij de tafels van vermenigvuldiging, maar door recepten te bereiden.

Honderd jaar gestage onderwijshervorming bezorgde het uit het hoofd leren de naam van benauwend en geestdodend - niet alleen zonde van de tijd, maar ook schadelijk voor hersenen in ontwikkeling. Scholen beklemtoonden de bevordering van een helder verstand, creativiteit en zelfstandig denken.

Maar is het mogelijk dat we een enorme fout hebben gemaakt? Criticus E.D. Hirsch schreef in 1987 dat leerlingen de wereld in worden gestuurd zonder een basis van culturele geletterdheid, en vraagt het onderwijs om weer de nadruk op de harde feiten te leggen. Zijn critici hebben opgemerkt dat het leerplan dat hij voorstaat alleen om 'dode blanke mannen' draait. Die kritiek is overdreven, maar ook misplaatst. Feiten zijn echt nog altijd van belang. Als het een doel van het onderwijs is nieuwsgierige, goed geïnformeerde mensen te kweken, dan moeten we de leerlingen wel de meest elementaire wegwijzers bieden.

Maakt Google dom?
We betreden misschien een nieuw tijdperk, waarin innerlijke kennis - een ontwikkelde, welvoorziene geest - niet meer zo telt als voorheen. Uit experimenten door onderzoekers van Columbia University bleek dat onze verhouding tot informatie verandert als wij van die informatie kennisnemen en tegelijk weten dat ze ergens op een computer is opgeslagen. In de wetenschap dat er een achtervang is die de informatie voor ons onthoudt, investeren we er zelf minder in om deze te onthouden. 'Maakt Google ons dom?', vroeg een tv-verslaggever. 'Vernielt Google ons geheugen?', vroeg een ander. En moeten we ons daar druk om maken?

Als we tegenwoordig bepaalde informatie niet kennen, pakken we onze smartphone en zoeken het op. Met een paar klikken hebben we de hele collectieve kennis tot onze beschikking. Weliswaar is het overgrote deel van alle informatie die in Google is opgeslagen mij niet bekend, maar het is een machtig gegeven dat ik die zou kúnnen kennen.

Bij wijze van koppeling tussen het interne en externe geheugen is een smartphone nog vrij onhandig. Maar het duurt niet lang meer of de koppeling tussen die twee zal naadloos zijn. De iPhone 5.0 moeten we nog met onze vingers bedienen, de iPhone 20.0 zullen we als een soort bril ervaren en de iPhone 50.0 is mogelijk direct met onze hersenschors verbonden. Ze zullen we onze gedachten en waarnemingen automatisch met een enorme laag informatie en rekenkracht verrijken. Larry Page, een van de oprichters van Google, zei dat hij uitziet naar de dag dat zijn product direct verbonden is met de hersenen van mensen. 'Wie ergens aan denkt en daar niet zoveel van weet, krijgt dan automatisch informatie', zegt hij. 'Op den duur volgt het implantaat waarbij we maar ergens aan hoeven te denken en we krijgen het antwoord.'

Dat klinkt als sciencefiction, maar er bestaan al implantaten in het slakkenhuis waarmee geluidsgolven rechtstreeks worden omgezet in elektrische impulsen die naar de hersenstam gaan, zodat mensen die doof waren, weer kunnen horen. En dankzij cognitieve implantaten die een directe koppeling tussen hersenen en computers leggen, zijn er al mensen met een dwarslaesie die de beheersing over hun spieren hebben verloren, maar alleen door middel van denkkracht een computercursor en zelfs een digitale stem kunnen besturen. Deze neuroprothesen, nog zeer experimenteel en pas bij enkele patiënten geplaatst, luisteren de hersenen af en maken directe communicatie tussen mens en machine mogelijk.

Internet in de hersenschors
De volgende stap is een hersen-computerkoppeling waardoor de geest rechtstreeks gegevens kan uitwisselen met een digitale geheugenbank, een project waar al enkele onderzoekers aan werken. Daarna is het alleen nog een kwestie van tijd of het hele internet, elk boek dat ooit is verschenen en misschien wel het digitale geheugen van ieder ander op aarde, gaat rechtstreeks naar onze hersenschors.

Hoe zullen onze gedachten over kennis veranderen wanneer we rechtstreeks op het internet zijn aangesloten en alles wat bekend is direct toegankelijk is, en elke vraag wordt beantwoord zodra hij wordt gesteld? Naarmate de afstand tussen ons interne en externe geheugen verdwijnt, zal de noodzaak verminderen om te onthouden.

Herinneringen
Waarom leerlingen nog met kennis volgestopt als alle informatie maar één klik - of één gedachte - verwijderd is? De fantastische voordelen van deze nieuwe relatie met de techniek kunnen we ons eenvoudig voorstellen, maar de kosten zijn moeilijker te berekenen.

Hoe wij de wereld waarnemen en hoe wij handelen, wordt bepaald door hoe en wat we ons herinneren. We zijn niets dan een verzameling gewoonten, gevormd door onze herinneringen. En voor zover we ons leven beheersen, is dit dankzij een geleidelijke verandering van deze gewoonten, van het netwerk van ons geheugen. Internet heeft nog nooit een grap, uitvinding of kunstwerk voortgebracht.

Ons vermogen humor in de wereld te ontdekken, verbanden tussen denkbeelden te leggen, nieuwe ideeën te creëren, in een cultuur te delen: al deze wezenlijk menselijke handelingen zijn nog altijd van een menselijke geest afhankelijk. En al zullen we misschien nooit het magische proces doorgronden waardoor een neuronenmassa van 3 pond wordt omgezet in een machine van creativiteit en inzichten, we weten wel dat deze processen niet zonder grondstof kunnen werken. Ze kunnen niet zonder geheugen.

Larry Page voorziet een dag in de toekomst dat ons interne en externe geheugen samensmelten en we misschien wel oneindige kennis zullen bezitten. Maar dat is niet hetzelfde als wijsheid.

Joshua Foer is Wetenschapsjournalist en auteur van Het geheugenpaleis, hij hield vrijdag de 29ste Van der Leeuwlezing. Co-referent was Robbert Dijkgraaf. Dit zijn de verkorte teksten van hun lezingen.

De Van der Leeuw-lezing is een initiatief van de stad, de provincie en de Rijksuniversiteit Groningen, de Stichting Martinikerk en de Volkskrant. De teksten van de lezingen en een interview met Foer zijn te bestellen op www.vkshop.nl.

Vertaling: Rien Verhoef

 We zijn een soort zeef geworden die alleen opvangt wat ons aanspreekt  
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.