Opinie Pensioen

Jongeren de pineut? Nee – de pensioendroom van ouderen is evengoed in rook opgegaan

Foto Pieter van Eenoge

In het pensioendebat kijken jongeren ten onrechte met een scheef oog naar werkende 55-plussers, betoogt Volkskrant-journalist Gijs Herderscheê. De verloren generatie vulde de potten. En toen was plots het geld op.

Nu een pensioenakkoord tussen kabinet, werkgevers en werknemers op komst lijkt, laait ook het debat tussen de generaties weer op. Vooral de jongste generatie werkenden roert zich over hun wegsmeltende pensioenvooruitzichten en hun verdampende AOW-aanspraken. Voor hen zal niets overblijven, nu ouderen er met de buit vandoor gaan, is de teneur.

Nou, dat gevoel delen ze dan met de generatie vóór hen. De mijne. Ik ben van 1959. Laatst keek ik even op de site van de Sociale Verzekeringsbank, de overheidsinstantie die de AOW uitbetaalt. Nadat ik mijn geboortedatum had ingetikt, las ik:

‘U krijgt naar verwachting uw AOW-pensioen vanaf 5-9-2026. Uw geschatte AOW-leeftijd is 67 jaar + 6 maanden.’

Geschat, want de AOW-leeftijd kan voor die tijd alweer omhoog zijn gegaan.

Ik ben nu 59, en ik heb het leukst denkbare beroep. Ik ben gezond en snak niet echt naar de eindstreep. Maar in verwondering zie ik om in welk moordend tempo voor mijn generatie de mogelijkheden op een riante oude dag zijn verdampt.

Wij hadden andere verwachtingen. Die zijn verweven met de pensioenregelingen van onze grootouders. Zij behoorden tot de eersten die AOW kregen, het basispensioen van de overheid. Wie voor de oorlog aan het eind van het werkzame leven kwam, moest van zijn spaargeld leven. Wie dat niet kon, was aangewezen op kinderen, kerk of armenzorg van de gemeente. De invoering van de Algemene Ouderdomswet in 1956 maakte een eind aan het synoniem ‘oud is arm’. Iedereen die 65 jaar was kreeg van de ene op de andere dag inkomen. Het was solidariteit van een jongere, werkende generatie met de oudere.

Mazzelaars kregen al pensioen. Sommige sociale werkgevers hadden voor de oorlog al pensioenfondsen opgericht. Na de oorlog schoten de fondsen uit de grond. Zozeer dat er eind vorige eeuw zo’n duizend waren. Bijna 90 procent van de werknemers spaarde toen voor een pensioen, bovenop de AOW. Daarvan profiteerden onze ouders. Vooral onze vaders. Want de pensioenen waren toen gericht op kostwinners die veertig uur per week, veertig jaar lang bij één werkgever of in één sector werkten. Zo zat de maatschappij in elkaar.

De pensioenkerstboom werd in de jaren vijftig, zestig en zeventig riant opgetuigd. Het pensioen was toen 70 procent van het laatstverdiende en dus meestal hoogste loon. Netto was dat zo’n 90 procent, omdat gepensioneerden minder belasting betalen. De pensioenen waren bovendien ‘welvaartsvast’ door de koppeling ervan aan de koopkracht. Of pensioenfondsen dat zouden kunnen volhouden? Daar maakte niemand zich zorgen over. Door de naoorlogse geboortegolf waren er veel meer werkenden die de premies voor AOW en pensioenen betaalden dan er ouderen waren.

Mijn generatie hielp in de jaren tachtig en negentig de pensioenpotten vullen. Dat ging niet zonder slag of stoot. Toen wij eind jaren zeventig, begin jaren tachtig van school kwamen was het crisis. Week in, week uit sloten fabrieken de poorten. De ontwikkeling van de neutronenbom, de kruisrakettendiscussie en het ‘Star Wars-plan’ van de Amerikaanse president Ronald Reagan maakten de sfeer zwartgallig. De jeugdwerkloosheid piekte. We waren de ‘verloren generatie’. ‘No future’ was de leus van punk, de muziek van mijn generatie.

Uiteindelijk kwam het met de meesten van ons toch goed, na een reeks flexbaantjes – uitzendwerk en korte contracten waren toen een nieuwe vinding .

De generatie voor ons maakte plaats voor de verloren generatie. Niet alleen uit goedertierenheid. Veel mannen van de generatie van onze ouders waren als tiener de fabriek ingegaan. Die waren gewoon op. Iconische voorbeelden uit die tijd waren de vakbondsleiders Arie Groenevelt en Herman Bode. Zij gingen als 14-jarige de fabriek in, maar vonden begin jaren vijftig hun roeping in de vakbeweging. Bode en Groenevelt werden nationale bekendheden: zij hielpen de vertrekregelingen ontwerpen voor andere mannen die als tiener de fabriek in waren gegaan.

In die jaren werd de arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO een verkapte vertrekregeling: thuis zitten, meestal met behoud van pensioenopbouw. Maar er waren nog veel duurdere, mooiere regelingen. Wat dacht je van de vrijwillige vervroegde uittreding (vut), die eind jaren zeventig werd geïntroduceerd? Ouderen van 57, 58 jaar mochten naar huis met een riante toelage en vaak met behoud van pensioenopbouw, betaald door hun oud-collega’s.

In de jaren tachtig kwam daar de arbeidstijdverkorting (atv) bij. In ruil voor loonmatiging werd de werkweek verkort van 40 naar 38 uur. Ook kwamen er ‘ouwe lullendagen’, extra vrije tijd voor 50-plussers. Alles bij elkaar konden ouderen zo een kwart van het jaar betaald vrij nemen.

De overheid bouwde ondertussen aan de zogenoemde glijbaan naar pensioen door in 1982 de ‘ouderenrichtlijn’ af te kondigen. Die maakte het mogelijk bij bedrijfsreorganisaties alleen mensen te ontslaan van 55 jaar en ouder. Die kregen vijf jaar een werkloosheidsuitkering – zónder sollicitatieplicht, mét pensioenopbouw – en daarna, tot hun 65ste verjaardag (begin van de AOW!), een vervolguitkering. Een sociaal plan vulde die uitkeringen aan, en de pensioenopbouw na de WW-periode. Hele bedrijfstakken werden zo gesaneerd, en elk calculerend bedrijf deed het: Hoogovens, Akzo,  Fokker, Gasunie, Wavin, Philips.

Ook aan dat alles betaalde mijn generatie via belastingen en premies volop mee.

En toen was plots het geld op.

In 2001, toen instortende internetaandelen een beurscrisis veroorzaakten, werd voor het eerst de dekkingsgraad van pensioenfondsen een kwestie. De toezichthouder greep in. Pensioen bleek geen spijkerhard, afdwingbaar recht, maar slechts een toezegging.

Daarbovenop kwam de vergrijzing. Natuurlijk, het was al jaren duidelijk dat vanaf 2010 de babyboomers (geboren in de jaren direct na de oorlog) 65 jaar zouden worden, en dat de cohorten van na die geboortegolf veel kleiner waren. ‘Bonden en werkgevers tonen Januskop van het ouderenbeleid’, schreef ik al in 1993 in Het Financieele Dagblad. De Januskop: enerzijds pleiten voor langer doorwerken, maar tegelijk 55-jarigen massaal op die glijbaan naar pensioen zetten.

Toch ging pas begin deze eeuw het mes in de dure regelingen. En wel in een moordend tempo.

Het begon met de pensioenen. ‘Middelloon’, het gemiddeld verdiende salaris, werd de pensioennorm, in plaats van het laatste, hoogste salaris. Dat haalde ook een onrechtvaardigheid uit het systeem. Bij eindloon subsidiëren laagbetaalden de pensioenen van beter betaalden. Het nabestaandenpensioen werd versoberd. De vut werd in 2006 afgeschaft. Werkgevers schaften de arbeidstijdverkorting af en versoberden de ‘ouwe lullendagen’. De ‘glijbaan naar pensioen’ verdween, de werkloosheidsuitkering werd stapsgewijs verkort van vijf jaar naar twee jaar, per 2019. Nieuwe spelregels, verscherpt toezicht, de kredietcrisis en de lage rente raakten pensioenfondsen hard. Zo’n tien jaar lang is het gros van de pensioenen niet meer verhoogd.

En toen ging als klap op de vuurpijl ook de AOW-leeftijd omhoog. Acute aanleiding: de kredietcrisis. Het kabinet-Rutte I begon ermee, Rutte II drukte het gaspedaal nog eens extra in. Met voor mij als voorlopige tussenstand 67 jaar + zes maanden.

Ik hoef niet zonodig met pensioen. Maar dit geldt misschien wel voor 55-plussers die hun werk als een tredmolen ervaren, of voor werknemers die met een tanende gezondheid kampen. Die kijken wél uit naar een eindstreep die steeds verder wordt opgeschoven. Mijn generatiegenoten ervaren de rappe versobering van hun pensioen als een soort ice bucket challenge, omdat zij eerder hun vader, ooms en collega’s vanaf hun 55ste met vroegpensioen zagen gaan. En dat mochten financieren. Nu ligt hun eigen pensioen inmiddels ruim tien jaar later.

Kijk ook naar mijn generatiegenoten die in de afgelopen crisisjaren hun baan verloren. Hun kans op nieuw werk is ondanks de krapte op de arbeidsmarkt erg laag. Voor hen geen glijbaan naar pensioen. Zij bouwen geen pensioen meer op. Na de werkloosheidsuitkering WW moeten zij hun spaargeld aanspreken. Wie vrijwel niets meer heeft, kan bijstand krijgen. Dan volgt het straffe bijstandsregime van de gemeente.

De rappe versobering van pensioenen is ronduit pijnlijk voor de laagbetaalde laagopgeleiden. Hun levensverwachting is lager dan die van hoogopgeleiden en beter betaalden. Eerder stoppen met werken is voor hen geen optie – te weinig spaargeld, geen huis dat met winst verkocht kan worden. Door het opschuiven van de pensioenleeftijd, dreigen AOW en pensioen zo een regeling voor de gezonde, hoogopgeleide ouderen te worden. Een groep die het zich toch al kan permitteren eerder te stoppen met werken – zij hebben vaak wél eigen vermogen.

Geen wonder dat er een maatschappelijke veenbrand van onvrede woedt onder dit leeftijdscohort. Het is niet voor niets dat de SP, de PVV en 50Plus stemmen winnen onder deze bevolkingsgroep, door terug te willen naar 65 jaar als pensioenleeftijd.

Het gevoel dat voor ons niets overblijft, delen we met de jongeren. Dat sentiment is te begrijpen: zij hebben nooit iets anders gehoord dan slecht nieuws over pensioenen en de AOW-leeftijd. Mijn generatie heeft het omgekeerde meegemaakt: het kon niet op, tot het op was en de goudgerande franje verdween.

En toch: solidariteit is niet moeilijk. Neem het ‘generatiepact’, waar vakbonden en werkgevers in cao’s afspraken over maken. Dan kunnen ouderen in de laatste jaren voor hun pensioen korter gaan werken, tegen een iets lager salaris, met volledige pensioenopbouw. In de metaalsector bijvoorbeeld kunnen werknemers nu al kiezen: 60 procent van de werkweek werken tegen 80 procent van het salaris, of 70 procent werken tegen 85 procent loon, of 80 procent werken tegen 90 procent loon. Steeds met volledige pensioenopbouw.

Vertraging van de AOW-leeftijdverhoging kan de onvrede verder helpen smoren. Natuurlijk kost het wat, eenmalig zo’n 1,5 miljard euro. Dat geld kunnen we terugverdienen. Want de arbeidsmarkt is op dit moment krap. Een paar jaargangen iets eerder met pensioen dan gepland, versterkt die krapte. Dat biedt perspectief voor werknemers die vastzitten in flexbanen, vooral jongeren, maar ook ouderen die na ontslag alles aanpakken. Hun kans op vast werk stijgt. Lonen gaan sneller omhoog in een krappe arbeidsmarkt. 1 procent extra loonsverhoging levert Den Haag jaarlijks ruim een miljard euro extra loonbelasting op. Genoeg om de tegenvaller van vertraagde AOW-leeftijdsverhoging op te vangen. Dat kan een vliegwiel in werking zetten: meer loon betekent meer consumptie, betekent meer bedrijfswinst, betekent meer winstbelasting en hogere inflatie met hogere rente – waardoor pensioenfondsen er beter voor komen te staan.

Solidariteit tussen generaties, het kan ook nu. De voorwaarde is dat er voor elke generatie wel wat overblijft. Bovendien zou de discussie eigenlijk niet moeten gaan over generatieverschillen, maar over het verschil tussen enerzijds laagopgeleid en laagbetaald, en anderzijds hoogopgeleid en beter betaald. Solidariteit tussen inkomensgroepen kan ook. Misschien dat de AOW eerder kan ingaan voor groepen die volgens de Belastingdienst de afgelopen decennia een jaarinkomen hadden op of net boven het minimumloon.

Solidariteit tussen groepen – jong, oud, hoogopgeleid en beter betaald, laagopgeleid en laagbetaald – dat moet de verbinding zijn. Dat moet de toets zijn waaraan een nieuw pensioenakkoord dient te voldoen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.