Opinie Naturalis

Jongensboekverhalen in Naturalis? Die tijd is voorbij

Natuurhistorische musea bleven te lang buiten de discussies over de rol van het koloniale verleden, betogen historici Fenneke Sysling en Caroline Drieënhuizen.

Schedelkapje en dijbeen van de Homo erectus of Javamens. Beeld Peter Maas / Naturalis

Naturalis, het Leidse natuurhistorisch museum, heeft zo’n 40 miljoen objecten: glibberige vissen en aaibare jonge tapirs, zeldzame uitgestorven vogels en gangbare steekmuggen. Het zwaartepunt van de collectie ligt op Zuidoost-Azië en dat is geen toeval: de geschiedenis van het museum hangt nauw samen met die van de Nederlandse koloniën.

Natuurhistorische musea hebben lang onder de radar kunnen blijven bij discussies over de rol van het koloniaal verleden in Nederland, maar dat zal niet lang zo blijven. In het natuurhistorisch museum van Berlijn rommelt het en het natuurhistorisch museum in Londen heeft al een drietal claims aan de broek hangen: Chili wil bijvoorbeeld de overblijfselen van een 12 duizend jaar oude uitgestorven grondluiaard terug.

Naturalis, dat op 31 augustus heropent, is in de eerste plaats een natuurhistorisch museum, waar objecten worden gepresenteerd en bestudeerd als onderdeel van de natuur. Maar het is onmogelijk en onwenselijk om de natuur los te zien van de mens, en een museumobject los van zijn verzamelgeschiedenis. Het museum besteedt ook wel enige aandacht aan de context, bijvoorbeeld bij het spannende graven naar dinosauriërbotten of het feit dat veel dieren in de collectie geschoten zijn door jagers.

Onderbelicht verleden

Het koloniale verleden is daarbij helaas tot nu toe onderbelicht gebleven. Die koloniale context was van groot belang voor het verzamelen en voor het wetenschappelijke werk in het museum. Nederlandse onderzoekers konden naar Indië en Suriname, omdat die regio’s voor hen goed toegankelijk waren en hielpen zelf mee met het ontsluiten ervan. Ze werden aangemoedigd, omdat hun bijdragen mogelijk praktisch koloniaal nut hadden, zoals het lokaliseren van delfstoffen, maar ook ideologisch omdat de Nederlanders hun kolonie in kaart wilden brengen en wetenschap werd gezien als onderdeel van vooruitstrevend koloniaal bestuur.

Zo bracht de Natuurkundige Commissie voor Nederlands-Indië, die expedities ondernam, een schat aan informatie terug in de eerste helft van de 19de eeuw. Alleen al Salomon Müller, commissielid, verzamelde voor het museum 1.100 huiden en 300 skeletten van zoogdieren; 6.500 huiden, 700 skeleten, 150 nesten en 400 eieren van vogels, 2.300 amfibieën op sterk water, 3.000 vissen op sterk water, 3.000 schaaldieren, 35.000 insecten en 24 kisten met mineralen.

Als je zoekt, zijn er honderden verhalen te vinden. Over de Indonesische dwangarbeiders, botanisten en handelaars bijvoorbeeld, die van groot belang waren bij het vergaren van kennis. Over plantenboeken met gedroogde planten uit Suriname, inclusief een aantal die door slaven uit Afrika waren meegenomen; over een servies van kruidnagels uit de Molukken (ooit zeemanssouvenir) en over een baby-aapje op sterk water van een Borneo-expeditie aan het eind van de 19de eeuw.

Dwangarbeiders

Misschien wel het belangrijkste koloniale verhaal betreft de Javamens, het fossiele schedelkapje, dijbeen en kies van onze voorouder de homo erectus. In de nieuwe opstelling heeft het museum ervoor gekozen om de Javamens een ereplaats te geven, als ‘Nachtwacht van Naturalis’. Ja, het is een paleontologisch topstuk, dat ­decennialang de oudste voorouder ooit gevonden was, en dat bevestigde dat mens en mensaap een voorouder delen. Maar het is ook een object met een Nederlands koloniaal verleden, dat sinds de onafhankelijkheid van Indonesië betwist is.

De fossielen van de Javamens werden opgegraven in 1890 en 1891 in de buurt van Surakarta (Solo) op het eiland Java. Ze werden ‘gevonden’ door Eugène Dubois: niet degene die met zijn handen in de modder zat. Dat zaten de dwangarbeiders, die hij van de koloniale overheid ter beschikking had gekregen. Hij was wel degene die de waarde van de vondst inzag. Dubois was gefascineerd door fossielen en de mogelijke voorouders van de mens, en toog naar Indië om daar een speld in de hooiberg te zoeken. Voor die vondst moet Dubois, met zijn kennis, intuïtie en doorzettingsvermogen, natuurlijk krediet krijgen. Maar hij had het niet kunnen doen zonder de koloniale infrastructuur en zonder de lokale kennis. De Nederlandse koloniale overheid gaf hem een baan, de mogelijkheid om als onderdeel daarvan wetenschappelijk werk te doen, en zorgde voor dwangarbeiders. Die arbeiders waren overigens volgens Dubois tijdens de Ramadan ‘zoo indolent als kikvorschen in den winter’, wat de houding van een natuurwetenschapper ten opzichte van de koloniale onderdanen wel typeert.

‘Waanzin’

Dubois nam de fossielen van de Javamens mee naar Nederland als zijn persoonlijke bezittingen en hij stond ze met tegenzin af aan het museum in Leiden. Maar daar werden ze al snel na de Indonesische onafhankelijkheid betwist erfgoed. Vooral Muhammad Yamin, lid van het Indonesische parlement en later minister van onderwijs en cultuur, wilde ze graag terughebben. Nederland had geen oren naar het verzoek en veranderde ook niet van standpunt in de jaren 70 toen cultureel erfgoed als het beroemde beeld Prajñāpāramitā terug naar Indonesië ging. De toenmalige directeur Willem Vervoort noemde de claims ‘waanzin’.

De discussie verzandde in de Nederlandse ambtelijke molen. Zo nu en dan wordt de roep om terugkeer in Indonesië nog gehoord, hoewel Indonesische paleontologen voor de draaiende camera’s van Nederlandse tv-programma’s als De IJzeren Eeuw of De Toren altijd erg beleefd blijven.

Het zou mooi zijn als het museum op kritische wijze aan deze historische en culturele context aandacht zou besteden, in plaats van het apolitieke jongensboekverhaal dat nu van de vondsten wordt gemaakt. Let wel, wij bepleiten niet per se dat alle miljoenen insecten, vlinders, schelpen en stegodons direct terug moeten naar Indonesië en evenmin dat natuurobjecten hetzelfde zijn als etnografische voorwerpen, die ooit door mensen werden gemaakt en gebruikt en daarna door Nederlanders gekocht, gestolen of ingenomen. We pleiten wel voor meer kritische verhalen. Wat aantallen objecten betreft is Naturalis het grootse koloniale museum van Nederland. Doe er wat mee.

Caroline Drieënhuizen is historicus en universitair docent aan de Open Universiteit. Fenneke Sysling is historicus en onderzoeker aan de Universiteit Utrecht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden