Column En dan is er koffie

Jenever is niet kleverig

Je kunt je wezenloos ergeren aan een boek dat je tóch uitleest en zelfs herleest. En dan is er koffie las ik voor het eerst toen ik een jonge tiener was. De schrijfster heette Hannes Meinkema, althans, zo heette ze niet echt: ­iedereen wist dat het een pseudoniem was voor ‘Hannemieke Stamperius’. Ze had een mannennaam aangenomen omdat vrouwen, vond ze, niet serieus werden genomen in de literatuur. Waarschijnlijk had ze daar nog gelijk in ook.

Bij herlezing werd ik met geweld teruggeslingerd naar de jaren ’70. De titel alleen al: het was de indertijd over­bekende reclameslogan van Douwe ­Egberts, koffie als letterlijk en figuurlijk bakje troost, als symbool voor de (verstikkende) Hollandse burgermansgezelligheid waar de hoofdpersoon Rosa, 26, hippie en lerares Nederlands zich tegen afzet met behulp van drank, drugs, ­cynisme en ‘vrije’ seks, onder anderen met haar ook al zo losbandige vriendje Douwe (jawel) ‘in zijn elektriesblauwe satijnen onderbroekstrakke jeans en z’n getailleerde met heuse bloemen geborduurde overhemd waarvan hij de mouwen nét zo’n beetje nonchalant heeft ­opgerold, weet je wel.’

Onnodig te zeggen dat het boek een bestseller werd. Vooral die vrije seks ging erin als koek, wat in feite tegenstrijdig was met Meinkema’s bedoelingen: zij wilde juist betogen dat die vrouwelijke vrijheid om met iedereen het bed te delen eigenlijk een door mannen opgelegde dwang was. Ook dáár had ze waarschijnlijk gelijk in. Een vrouw die in de jaren ’70 niet promiscue was, gold als een bekrompen trut; daar hebben we nu nog de MeToo-gevolgen van.

Een van de antagonisten, Louise, (alleen die namen in dat boek al: Arja, Cora, Meta, Harry; vind nog maar eens iemand die zo heet) doet het ook met Douwe, niet omdat ze zo dol is op seks (want daar vindt ze niks aan), maar omdat ze tegen hem opkijkt. En geen zelfvertrouwen heeft. En nogal dik is. En geen bekrompen trut wil zijn. Zij is in de roman dan ook het meest geloofwaardige personage tussen de clichés: Rosa’s zusje als onnozele, eenzame student; Rosa’s moeder die kampt met de huisvrouwentragiek van een empty nest en een huwelijk zonder werkelijk contact; ­Rosa’s broer, de hypocriete corpsbal, die stiekem samenwoont met een meisje onder zijn stand, en het pukkelige meisje in kwestie dat braaf en muizig lijkt, maar uit een vorige relatie een nachtmerrie van een late abortus achter de kiezen heeft; het zijn allemaal voor de hand liggende belevenissen van flat characters, die, eerlijk is eerlijk, vlot zijn opgeschreven. Vlot, in de ergste betekenis van het woord.

Dat begin alleen al! ‘Het ­duralex glas valt om. Een restje jenever verspreidt zich kleverig over Rosa’s slaapboek. Het buisje pillen valt op de grond. Ze mompelt ‘stelletje klootzakken’ tot haar hand de hoorn te pakken heeft. Ze sliep nog. (…) ‘Rosa? Kindje?’ Als een telefoongesprek zo begint kan het maar één iemand zijn. Haar moeder.’

Alles hieraan is erg. Jenever ís niet kleverig, ook een ‘restje’ niet. Niemand die wakker wordt gebeld mompelt ‘stelletje klootzakken’ en zeker niet ‘tot haar hand de hoorn te pakken heeft’, want hoe vaak moet je dan wel niet ‘stelletje klootzakken’ mompelen? Drie keer? Drieenhalve keer? En ja, als iemand ‘Rosa? Kindje?’ tegen je zegt, dan kan dat inderdaad niemand anders dan je moeder zijn. Show, don’t tell.

Toch las ik het achter elkaar uit, toen én nu.

Ja, het gaat er nog steeds in als koek. Een heel pak pennywafels met nog wat choco­prinsen en koetjesrepen er achteraan. En koffie, veel slappe koffie.   

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.