ColumnPeter Buwalda

Je steekt je pink in een neus en het blijkt een kathedraal te zijn, zo’n boek is De elzenkoning

Een belangrijker man dan Trump, is Michel Tournier. Lang geleden was me dat al op het hart gedrukt door Vivian, mijn eerste vriendinnetje. Ze gaf me, eens even zien, op 8 oktober 1995 De elzenkoning, het beroemdste boek van de Fransman. ‘Is dat die ene’, vraagt Jet, ‘die een keer een pink in je neus stak en riep: ‘Wow, wat een ruimte! Het lijkt wel een kerk!’ ‘Vivian ja, niet Tournier.’

‘Lieve Peter’, staat voorin, ‘als je dit boek net zo goed vindt als ik, zul je er echt van genieten!’ (Weer Vivian, niet Tournier.)

Nou, dat liet ik me geen twee keer zeggen. Ruim een kwarteeuw later begon ik te lezen. Mond-tot-mondreclame, het werkt.

Andersom ook, trouwens. Catch-22 bijvoorbeeld, staat al sinds 7 juli 1995 te snuiven als een paardje, nog langer dus dan Tournier, maar ik twijfel. Dr. Arnie, mijn lijfarts, jaarclubg’noot en enige tijd dus ook leidsman in literaire zaken, zat erbij toen ik Hellers klassieker uitpakte. (Tegenwoordig filmen ze dat soort dingen voor op YouTube. Smerige gewoonte.)

‘Gelezen’, zei de dokter. ‘En?’, informeerde ik.

‘Mja’, zei Arnie. ‘Mja. Ik vond het een beetje… mja. Een beetje…’ ‘Nou?’, zei ik, voorin naam en datum noterend.

‘Flauw’, sprak mijn lijfarts.

Sindsdien kom ik Catch-22 voortdurend tegen op lijsten, altijd heel hoog, op 6 in de Modern Library Top 100 bijvoorbeeld, in de sandwich met Lolita en The Grapes of Wrath. En toch, steeds als ik Heller sta ‘aan te bladeren’, verschijnt het grote, sceptische, wikkende hoofd van dr. Arnie op mijn netvlies, en zet ik Heller maar weer terug, bang voor flauwiteiten. Verbijsterend, eigenlijk. Wat als dr. Arnie die middag in 1995 fietsen aan het stelen was geweest op een plat dak!

Hoe dit ook zij, Vivian had gelijk. Het was een onvergetelijke week, met Tournier. Erg blij met het cadeau, dank nog, De elzenkoning is zonder enige twijfel buitencategorie, een krankzinnig meesterwerk. Erover praten lukt me bijna niet, alles slaat plat wanneer je niet precies Tourniers woorden gebruikt. Je steekt je pink in een neus en het blijkt een kathedraal te zijn, zo’n boek is het. Misschien daarom begon ik Jet ongevraagd stukken voor te lezen. Dat ging redelijk dwangmatig, zo goed is de stijl van die man. Geweldig vertaald ook, door Jenny Tuin. Dat voel je, omdat je beter Nederlands dan dit nergens kunt vinden. Ja maar, waar gáát dan het over?

Nou ja, over niks en alles, natuurlijk. We volgen Tiffauges, een Fransman, die geobsedeerd is door kinderen. Maar in het nette. Hij sticht in nazi-Duitsland een soort leger van honderden handgeselecteerde blonde jochies, in wier afgeschoren lokken hij slaapt – maar toch in het nette. Je zou het boek kunnen opvatten als één uitputtende fonkelende sublimatie van het verlangen naar het tegenovergestelde: het onnette.

Meer kan ik niet. Het is gewoonweg ondoenlijk om in een prulstukkie iets fatsoenlijks te zeggen over een taalmijn als De elzenkoning. Je zit toch een drol van een vers gebakken brood te draaien, om Mulisch te citeren. En het ís niet eens brood, maar een monster.

Die Tiffauges loopt op een gegeven moment achter een van zijn rekruutjes aan, het ventje sjouwt een landmijn. Het ding ontploft, waardoor Tiffauges onder duizenden bloedspetters komt te zitten. Hij ervaart dit als een rode zon die voor hem is opgegaan. Beroerder kan ik het gewoon niet navertellen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden