Column Stephan Sanders

Je moet je identiteit vederlicht dragen, al is dat soms moeilijk

Een trefzeker woord, dat de huidige tijd samenvat: ‘Identiteitsverharding.’ Het valt in het interview dat NRC afgelopen weekend had met de Amerikaanse filosoof Anthony Kwame Appiah, de man met de Brits-Ghanese wortels. Appiah is ook een van mijn lievelingsfilosofen, omdat hij als een van de weinige denkers over ‘het etnische verschil’ uitgaat van gemengdheid.

Dat komt hem zelf goed uit, met zijn Brits aristocratische moeder en even aristocratisch Ghanese vader; het heeft hem een uiterlijk opgeleverd dat niet meteen te plaatsen is. Ik citeer: ‘In São Paulo wordt hij in het Portugees aangesproken, in Parijs denkt een taxichauffeur dat hij een Belgische Noord-Afrikaan is. In Rome is hij Ethiopiër en een Londense cabbie weigert te geloven dat hij geen Hindi spreekt.’

Ik heb het zelf in dat verband wel eens gehad over een ‘internationaal uiterlijk’ en Appiah is allang niet meer de uitzondering op de regel. Gemengd-zijn is wat verreweg de meeste mensen bepaald.

Hoe dubieus de commerciële dna-testen ook zijn, waarbij je gevraagd wordt om wat wangslijm op te sturen, waarna een Amerikaans onderzoeksteam je voorouderlijke stamboom in kaart brengt: iedereen krijgt er ineens ‘verwanten’ bij uit landen waar je nooit aan gedacht had. Hoor de jongeman die ‘puur IJslands’ is, volgens eigen zeggen. Maar zijn dna-profiel laat veel Turkije zien en Perzië, delen van Azië. Ook die uitkomsten zijn discutabel, want hoe ver reikt zo’n stamboom terug? Honderden, duizenden jaren? Maar het goede nieuws dat deze dna-mode brengt, is dat onze etnische identiteit vloeiend is, en lang niet zo afgemeten als de begrippen ‘wit’ en ‘zwart’ suggereren.

Appiah schreef er een boek over: The lies that bind. Rethinking Identity, en daarin heeft hij het over ‘al die grote identiteiten die leugens zijn.’

Vooral de ‘rasidentiteit’ neemt hij flink op de korrel, als de 19e eeuwse constructie waardoor de mensheid werd opgedeeld in vijf of zes rassen. Juist het DNA onderzoek laat zien dat dergelijke grove vereenvoudigingen totaal onwetenschappelijk zijn.

En toch woedt in het dagelijks leven de strijd van ‘wit’ tegen ‘zwart’ onvermoeibaar voort.

Waarom blijven we die ouderwetse labels gebruiken, alsof we nog steeds de paardentram nemen? Appiah denkt dat ‘de leugens nodig zijn om sociale identificaties hun goed werk te laten doen: het creëren van solidariteit in een wereld vol vreemdelingen.’

Om het anders te zeggen: voor de politieke dynamiek heb je ‘overdreven stereotyperingen’ nodig: wie mensen wil samenbrengen moet bepaalde feiten verzwijgen, zodat er alsnog een wij-gevoel ontstaat. Zwart versus wit. Vrouw versus Man. Europeaan versus Afrikaan.

Die ‘leugentjes om bestwil’ – of beter gezegd: ‘om politieke wil’ zijn soms nodig, om racistische misstanden aan te kaarten, maar onderhand mag je je afvragen of de overdrijvingen verhelderen of vertroebelen.

Voorbeeld: toen ik zag hoe de anti- Piet-activist Jerry Afriyie in Eindhoven werd belaagd door een met eieren gooiende menigte, kon ik het beeld van de zwarte Amerikaanse meisjes die bespuugd werden door omstanders, omdat ze voor het eerst naar een raciaal gemengde school wilden gaan, niet van mijn netvlies krijgen. De jaren ’50 in Amerika. Maar hoe behulpzaam is dat beeld? Kan ik mij die Amerikaanse geschiedenis toe-eigenen? Het mobiliseert, het doet partij kiezen en het sluit ook elke discussie uit. Jerry Afriye is alleen al een held omdat de man wil blijven praten, juist ook met zijn tegenstanders.

‘Je moet je identiteit vederlicht dragen’ zegt Kwame Anthony Appiah, en dat is een wijs advies, maar ook moeilijk op te volgen.

Zelf heb ik als ‘gemengde man’ (Nederlands- Zuid Afrikaans) altijd moeite gehad met de blank- zwart verdeling, of nog onstuimiger: die tussen ‘wit’ en ‘zwart’. Ik snap dat het voor het politieke overzicht goed is niet meer dan twee kampen te hebben, en de identiteiten aan te dikken, maar mijzelf omschrijven als ‘wit’ komt me nog onwaarachtiger voor dan ‘zwart.’

Niet van toepassing, denk ik altijd.

Toch maar eens zo’n dna-test gedaan, niet om mijn verre voorvaderen te leren kennen, maar simpelweg om een idee te krijgen wie mijn biologische vader is. Wat blijkt: de man is geheel en al Afrikaans, met veel Bantu en San invloeden (het inheemse Zuid-Afrikaanse volk). Ik ben veel ‘zwarter’ dan ik dacht.

Dat biedt mogelijkheden die ik maar eens niet ga grijpen.

Stephan Sanders is journalist en columnist. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.