Columnpeter middendorp

Je moest niet van je laatste haren vervreemden, je moest je toefje accepteren

null Beeld
Peter Middendorp

Ik moest laatst denken aan een man die ik vroeger vaak zag, zo’n vijfentwintig jaar geleden alweer, een sportieve man – ik heb voor een verkleedfeest nog eens zijn scheidsrechterstenue mogen lenen, het was minstens twee maten te klein en zo strak dat het pakje wel op mijn lichaam geschilderd leek als ik uitgestrekt een kaart uitdeelde. Hij was de eerste man die ik kende die een haartransplantatie had ondergaan.

Uit zijn achterhoofd werden enkele haren geopereerd, of een boel – het lag eraan wat je onder veel of weinig verstond; voor mijn gevoel had het meer gekund – en in zijn voorhoofd geplant, precies op de lijn waar zich de haargrens had bevonden. Na afloop stond er een enkele rij korte haartjes in zijn voorhoofd, rechtop, alsof er een tuinhekje was geplaatst, zonder dwarsbalkjes.

Ongeveer tezelfdertijd, of eigenlijk iets eerder – een jaar of 22 was ik, ik wilde net het testament gaan opmaken van mijn leven, toen dat voorlopige testament in de vorm van mijn haren alvast bij bosjes tegelijk uit mijn hoofd begon te vallen. Zo, foetsie. Weg was het. Ik kon het zien gebeuren, en anderen ook.

Tot zijn verdriet werd mijn vader ook vroeg kaal, maar hij wist tot zijn laatste dag nog een toefje haar te behouden, dat, als je het iets langer liet groeien, van de kruin naar voren in een S-vormige slingerscheiding over het hoofd verspreidde en met een beetje haarlak verstevigde, voor de oppervlakkige beschouwer nog prima voor een zijscheiding door kon gaan, al moest de wind er niet onder komen.

Het deed mijn vader geen goed toen hij mij m’n haren zag verliezen, alsof mijn hoofd hem telkens een herbeleving bezorgde. Hij bleef maar aandringen: wil je geen haartransplantatie? Neem toch een haartransplantatie! Als ik jouw leeftijd had, had ik er allang een genomen. Doe nou toch gewoon. Nu ben je er nog redelijk op tijd bij. Ik betaal!

Maar ik dacht: als jij een toefje hebt overgehouden, zal mijn struikje het misschien ook wel overleven. Het tuinhekje had me bovendien geleerd dat je niet van je laatste haren moest vervreemden, maar je toefje moest accepteren als een organisch onderdeel van jezelf, de gehele mens; er was al genoeg om onthecht van te raken.

Bij ons thuis staat een gezinsfoto, acht jaar geleden gemaakt. Mijn dochter zit op mijn schouders, ik houd haar enkels stevig vast, zodat ze, als ze achterover zou kukelen, niet naar beneden zou vallen, maar gewoon ondersteboven op mijn rug zou blijven hangen. Maar daar wachtte ze niet op natuurlijk – telkens als het gebeurde, greep ze zich uit alle macht met twee handjes vast aan het enige wat ze in de gauwigheid kon vinden.

Vorige week zette mijn vriendin er recente gezinsfoto naast, zodat we naar de verschillen konden zoeken. Er is veel veranderd, te veel om op te noemen, maar het toefje staat er nog, ja, het toefje staat nog fier overeind.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden