essay

Je kunt beter geen talent hebben dan een beetje talent: dat scheelt een hoop frustratie

We leven in een maatschappij waarin iedereen geacht wordt een talent te hebben en dat ook maximaal te ontplooien. Maar wat als de verwachtingen niet worden ingelost? Volgens Sander van Walsum zijn tevreden middenmoters dan toch beter af.

Sander van Walsum
null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Menig debuterend schrijver zal erdoor zijn bemoedigd: de toekenning van de Libris Literatuurprijs 2022 aan Mariken Heitman, voor haar roman Wormmaan. Een relatief onbekende schrijver en een boek dat tevoren niet als kanshebber voor ’s lands meest prestigieuze literatuurprijs was getipt. Misschien is dit ook wel míjn voorland, zullen naamloze schrijvers van manuscripten-in-wording hebben gedacht – om vervolgens met nog meer hoop het eigen schrijftalent zichtbaar te maken. Eerst alleen nog voor zichzelf en een enkele meelezer, die wordt geacht eventuele tekstkritiek mild te verwoorden. Uiteindelijk voor een omvangrijk lezerspubliek, dat gewillig gehoor geeft aan leestips van recensenten en boekhandelaren.

Maar elke zin waarmee de debutant zijn illusies voedt, kan ook de opmaat vormen van een teleurstelling in uiteenlopende gedaanten: een uitgever die het manuscript (al dan niet onder dankzegging) afwijst, een recensent die het tot boek gepromoveerde manuscript met twee sterren of bollen naar de ramsj verwijst, of die het überhaupt geen bespreking waard acht. Het kan allemaal gebeuren. Sterker: een manuscript lost de verwachtingen van de auteur maar hoogst zelden in – ook als het wordt gepubliceerd.

Dat is het lot van schrijvers die onzichtbaar blijven voor het grote publiek, van worstelende kunstenaars in het algemeen, van ambitieuze sporters en van iedereen die op enig terrein meent uit te blinken. We leven in een maatschappij waarop de nadruk steeds meer wordt gelegd op talent, en op hoe je dat talent tot volle bloei kunt laten komen. Maar velen zien hun inspanningen niet met het verhoopte succes bekroond. Voor de een gaat daar de aansporing van uit om het met hernieuwde energie, of bewijsdrang, nog maar weer eens te proberen. De ander vraagt zich ontmoedigd af of géén talent misschien toch te verkiezen is boven een beetje talent, en of de loonslaaf die geen enkele opstandigheid voelt misschien toch beter af is dan hijzelf.

Afbraakrisico

Zeker: over de definitie van succes valt te twisten. De ene schrijver weet al dat hij niet vergeefs heeft geleefd als een manuscript in boekvorm verschijnt. De ander is pas tevreden als zijn boek een vijfde druk haalt of voor een serieus te nemen literaire prijs wordt genomineerd. Maar in elke verwachting ligt een zeker afbraakrisico besloten. Soms blijft het talent van de schrijver achter bij diens ambitie (al zal slechts een enkeling dat willen erkennen). Soms is een goede schrijver een beroerde koopman. Soms wordt een goed boek met een verkeerde titel op de markt gebracht. Soms verschijnt een boek simpelweg op het verkeerde moment, of blijft het om andere redenen – los van zijn eventuele verdiensten – onopgemerkt. Daarmee zou de auteur zichzelf kunnen troosten: in de kunsten is succes vaak even ondoorgrondelijk als kwaliteit. Literaire klassiekers als De avonden, Ik, Jan Cremer of Turks Fruit zijn mede door de tijdgeest opgestuwd: de tijd was er, in de meest letterlijke zin, rijp voor.

Verreweg de meeste kunstenaars blijven na hun coming-out echter vertwijfeld achter, teruggeworpen op zichzelf. ‘Een beetje talent hebben is erg gevaarlijk’, zei schrijver Thomas Rosenboom in 2013 in een interview over zijn boek De rode loper – over twee jongens wier verhoopte doorbraak als rockster en journalist uitblijft. ‘Je kunt beter geen talent hebben. Dan kom je niet in de verleiding om ál je tijd te steken in iets grilligs als muziek. Of kunst. Ik ken mensen die de kunstacademie goed doorlopen hebben, en dus ook wel wat kunnen, maar niets de wereld in konden brengen of verkopen. Je moet je onderscheiden, écht getalenteerd zijn en béter zijn dan de rest, anders ben je verloren. En als je dan niet gestudeerd hebt of andere ervaring hebt opgedaan, wat moet je dan doen met de rest van je leven?’

Het is, welbeschouwd, een treurig lot dat velen treft: genoeg talent hebben om over een mooie toekomst als gearriveerd kunstenaar (of topsporter) te kunnen dromen, maar net niet genoeg talent – of mazzel – hebben om die dromen te kunnen verwezenlijken. Het talent verwordt tot ballast. Tot een bron van frustratie of verongelijktheid. Want anderen gaan er met jouw dromen vandoor. Elke vijfsterrenbespreking van een ander boek dan het jouwe, elke doorbraak van een jong talent, elke rit in een forensentrein en elke werkdag in een kantoortuin herinnert jou eraan dat het niet is gelukt.

null Beeld Rhonald Blommestijn
Beeld Rhonald Blommestijn

Bron van gêne

Het semitalent worstelt en lijdt in stilte. De vruchten van een talent worden in de regel wel geëtaleerd, maar talent dat (nog) geen vrucht heeft gedragen, is eerder een bron van gêne of een privaat geheim – net als een bittere nederlaag of een voorval waaraan we liever niet herinnerd willen worden. Vanaf een veilige afstand in de tijd willen we daar nog weleens openhartig over zijn, maar over de rauwe mislukking zwijgen we liever. Al was het maar omdat we er geen mededogen mee wekken, zelfs niet bij begripvolle geliefden. Die willen misschien best nota nemen van een teleurstelling, maar hebben in de regel weinig geduld met zelfbeklag. Er is tenslotte groter leed denkbaar dan een boek dat ongepubliceerd blijft of een rockband die nooit tot wasdom komt. En morgen is er weer een dag. Daar moet het semitalent, uitkijkend op het knekelveld van zijn illusies, het maar mee doen.

Onze samenleving is niet barmhartig voor het semitalent. Daarvan kun je het christendom onderhand niet meer de schuld geven. In Matteüs 25:14-30 wordt de ‘onnutte knecht’ die zijn potentieel onbenut laat weliswaar in de duisternis geworpen, waar hem ‘geween en tandengeknars’ wachten, maar deze ‘gelijkenis van de talenten’ wordt doorgaans niet geïnterpreteerd als een banvloek over de talentlozen, maar – integendeel – als vermaning aan ieder mens om ‘naar zijn bekwaamheid’ te handelen, oftewel: om binnen de grenzen van zijn capaciteiten zijn best te doen. Van talent gaat een inspanningsverplichting uit.

Dat is niet het gangbare ethos onder jeugdige sporters die als ‘talent’ worden aangemerkt, schreef sportkoepel NOCNSF in de nota Talent: een woord met potentie maar ook met risico’s. ‘Het bestempelen van jonge sporters als ‘talent’ staat hun ontwikkeling eerder in de weg dan dat er een stimulerende werking van uitgaat. Het is aangetoond dat jongeren onder dit stempel eerder moeilijkheden ontwijken, sneller opgeven en sneller inzet als nutteloos gaan zien.’ In hun beleving – of die van hun ouders – herbergt talent geen belofte, maar is het een verworvenheid. ‘Ons advies is dan ook terughoudend te zijn in het gebruik van deze begrippen en mogelijk zelfs in zijn geheel te gaan vermijden.’

Voor dat lovenswaardige advies lijkt de samenleving vooralsnog niet erg ontvankelijk te zijn. Integendeel: talent wordt niet langer gezien als een sieraad voor de begenadigde enkeling, maar als een hebbedingetje voor de massa. Iedereen wordt wel geacht op enig gebied een talent te zijn. Daarvan draagt de taal de sporen: vroeger hád je talent voor iets, nu bén je een talent – zo sterk word je met een bepaalde vaardigheid vereenzelvigd.

Op de basisschool wordt naarstig gezocht naar competenties waarmee leerlingen zich als ‘kanjers’ van elkaar kunnen onderscheiden – met dien verstande dat in elk van hen wel ergens een kanjer schuilt. Meritocratie is leuk zolang ze niet op gespannen voet komt te staan met de egalitaire pretenties van ons onderwijs. Van leerlingen uit sociaal zwakke milieus wordt aangenomen dat ze liever een kanjer zijn op het vmbo dan een potentiële zittenblijver op de havo, zo kon ook worden opgemaakt uit de veelgeprezen televisieserie Klassen.

De talenten van nu zijn minder bescheiden in het tonen van hun vaardigheden dan de talenten van vroeger (wat mogelijk ook samenhangt met het feit dat het aloude adagium ‘doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’ nog maar weinig navolging krijgt). In mijn middelbareschooltijd, eerste helft jaren zeventig, was met een culturele avond nauwelijks meer dan een uur gemoeid (inclusief applaus en boegeroep). Er trad een mimespeler op, een kloon van het maatschappijkritische toneelgezelschap Proloog, een meisje dat meer qua uiterlijk dan qua zang in de voetsporen trad van de Franse chansonnière Barbara, en een coverbandje van The Who (wat vooral bleek uit de gitaar die aan het eind van het korte optreden kapot werd geslagen). De culturele avonden op de scholen van mijn kinderen (inmiddels volwassen) duurden aanzienlijk langer en hadden – het moet gezegd – ook een aanzienlijk hoger niveau. Rijpe en groene talenten werpen de schroom van zich af en stuwen elkaar tot grotere hoogten op.

Talentontwikkeling

Een talent zijn, of hebben, is allang niet meer voorbehouden aan kunstenaars of sporters alleen. Ook in bedrijfspanden, provinciehuizen en kantoortuinen bulkt het van talenten en van talentmanagers die talenten moeten rekruteren, tot volle bloei moeten brengen en voor de werkgever moeten zien te behouden. Talrijke organisatieadviesbureaus ontlenen daaraan ongeveer hun bestaansrecht.

Volgens een van die bureaus, Dutch Training Professionals in Maarssen, werden bedrijven in de jaren negentig geacht te investeren in ‘competentiemanagement’, wat er in de praktijk vooral op neerkwam dat werknemers werden aangespoord om hun tekortkomingen weg te werken – een benadering waarvan ‘in het eerste decennium van deze eeuw is aangetoond dat dat weinig effectief is’. Vandaar dat bedrijven sindsdien vooral inzetten op ‘talentmanagement’, de verdere ontwikkeling van talent waarvan de werknemer al had blijk gegeven. Maar inmiddels is het lumineuze inzicht gerijpt dat niet voor élke functie binnen een bedrijf talent is vereist. ‘Dit is vaak het geval bij beheersmatige taken. Denk bijvoorbeeld aan boekhouden en administreren.’

In vroeger tijden waren we het aan onze Schepper verschuldigd om de talenten waarmee Hij ons had toegerust ook metterdaad te gebruiken – met de toevoeging ‘ieder naar zijn bekwaamheid’ als belangrijke disclaimer. Inmiddels is talentontwikkeling vooral een eerbetoon aan onszelf. Daarvan gaat meer druk uit dan van talentontwikkeling als wederdienst aan God, gezien de burn-outverschijnselen waaronder vooral ‘jongeren met een groot ontwikkelingspotentieel’ gebukt gaan. Middelmatigheid is voor hen geen optie.

Maximalisten, noemt de Amerikaanse psycholoog Barry Schwartz hen. Ze zijn zich bewust van de kansen die ze hebben en van de keuzevrijheid die ze genieten bij de benutting van die kansen. Het ‘officiële dogma’ in onze samenleving is dat een maximale keuzevrijheid de opmaat is tot menselijk geluk, schreef Schwartz in zijn in 2004 verschenen boek The Paradox of Choice. Uit de subtitel – ‘Why More Is Less’ – kan worden opgemaakt dat hij dit dogma niet onderschrijft. Van de veelheid aan keuzes en mogelijkheden gaat namelijk een verlammende invloed uit. Mensen zijn meer bezig met de keuzes die ze níét hebben gemaakt dan met de kansen die ze wél hebben benut. De fixatie op het mogelijke beneemt hun het zicht op het bestaande.

Schwartz bedient zich in dit verband van de metafoor van de goudvissenkom: de kom begrenst weliswaar hun vrijheid, maar dient ook hun lijfsbehoud. Gelukkig is degene die zijn verwachtingen kan begrenzen, denkt Schwartz. Keuzevrijheid verplicht tenslotte niet tot excelleren, al helemaal niet als het talent achterblijft bij de ambitie. Het lot van de tevreden middenmoter is te verkiezen boven dat van de gefrustreerde maximalist.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden