ColumnPeter Buwalda

Jammer dat treinstoelen geen achtbaanbeugels hebben, zodat iedereen op z’n plek blijft zitten

Wat ik jammer vind van de Python, dat verontrustende voertuig in de Efteling, is dat mensen tijdens de reis niet vrij mogen rondlopen. Andersom is het evengoed jammer dat treinstoelen geen achtbaanbeugels hebben, zodat iedereen, behalve Ferd Grapperhaus, op z’n plek blijft zitten.

De gevolgen van deze ontwerpfout ervoer ik van de week weer eens. Goed vermomd (leesbril, mondkapje, zelfs mijn eigen moeder zou me niet herkennen) zat ik in een vrijwel verlaten coupé een boek te lezen, Remarque, Im Westen nichts Neues, toen er vlakbij snot klonk.

Ik keek rond.

Naast me in het pad stond een potige man. Hij kneep zijn verkouden neus af in zijn mondkapje, schoof het ding omlaag en zei hees: ‘You know toilet?’

Ja, ik kende toilet – maar ik kende de man ook. Op het perron had hij me al gevraagd of dit de trein naar Amsterdam was. Hij deed me denken aan onze glazenwasser, die me altijd doet denken aan Romario, mijn favoriete voetballer, maar met worstelarmen van het ladders sjouwen.

Mijn ogen zochten het pleepijltje, het wees naar links. Ik wees naar links, daarom.

De man knikte, maar bleef staan. Baf, baf, zijn sterke handen landden op de hoofdsteunen van de stoelen die mij omsloten, hij boog ver naar voren, de poppetjes in zijn ogen bleken twee corona’s. Vochtig zei hij: ‘How long Amsterdam?’

‘One hour’, zei ik. Een mooi, afgerond bedrag, iets anders schoot me niet te binnen. Hij kwam nog dichterbij, niemand was in maanden zo dichtbij gekomen. Alleen Ferd Grapperhaus. ‘Sure one hour?’ vroeg hij.

‘Yes’, zei ik.

Toen de vent wegliep, besefte ik dat ik gelogen had. Amsterdam was nog maar twintig minuten. Ik las door, het boek ging over ergere dingen. Toch knaagde het. De vent leek grote waarde te hechten aan de duur van de reis. Zonder glimlach was hij een ander mens, dat had ik al wel gezien. Een harde vrijbuiter, net als Romario en mijn glazenwasser, maar zonder doelpunten om op terug te vallen, laat staan een eigen wijkje. Meer zoals de vechtjassen in mijn oorlogsboek. Hij leek me een gedoemde vent, murw van een burgeroorlog, van een lange, gedwongen reis over bergen en zeeën. Ik riskeerde nogmaals snot, teleurgesteld snot.

Daar liep ik al, naar de wc, om mijn fout te herstellen. Hij zat er denkelijk nog op, want onderweg zag ik hem nergens. De wc was inderdaad bezet.

Het duurde. Als hij er pas ná Amsterdam afkwam, stond ik te denken. Wat dan? Ach, stelde ik mezelf gerust, het boek dat ik las, ging over de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. De lui bij Remarque kregen het harder voor hun kiezen dan Romario zonder z’n doelpuntjes, ocharm. Geluiden, klak, slot eraf, daar was hij.

‘Mistake’, zei ik, ‘Amsterdam ten minutes.’

‘Not one hour?’

‘No’, zei ik.

Hij knikte. ‘I from Arabic. You Amsterdam?’

Ik schudde traag mijn vermomde hoofd. Ik zag het al voor me, hij wilde straks een eindje oplopen. De soldaten in mijn boek waren ook zo, als je ze een vinger gaf, rukten ze je romp van je onderstel.

‘My friend’, zei hij met een glimlach die van zolder kwam, uit een doos met afgedankte spullen, ‘you need cocaine?’

Ik stapte het toilet in. Ook daar moest ik denken aan Im Westen nicht Neues. Maar dat heb ik altijd op de latrines van de NS.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden