Islamitische school zelf is niet het probleem

Dat islamitische scholen vaker worden gesloten, ligt meer aan hun ouderwetse onderwijsmethoden en hun zwakke bestuur dan aan de kwaliteit van hun onderwijs.

Jaap Dronkers

Het sluiten van slechte scholen is een goede gedachte, want verloren onderwijs- en leertijd door een lage kwaliteit van de school kan nooit meer ingehaald worden. Vaak wordt gezegd dat islamitische scholen een lage kwaliteit van onderwijs en bestuur hebben. Is dat waar?

Minimumeisen
In het onderwijs worden minimumeisen aan de prestaties van leerlingen gesteld en die worden met testen en examens gemeten. Die eisen zijn absoluut: leerlingen die onder een bepaald niveau presteren - zij die zijn gezakt - worden niet toegelaten tot het vervolgonderwijs. Het duidelijkst is dit bij het eindexamen in het voortgezet onderwijs: leerlingen moeten een bepaald niveau behalen om te slagen. Scholen waarin een groot aantal leerlingen niet voldoet aan die minimumeis, kan men slecht noemen: de leerlingen leren daar te weinig.

Opleiding ouders
Een belangrijke oorzaak van het slecht presteren van scholen is het lage opleidingsniveau van de ouders van de leerlingen. Dat opleidingsniveau is veel belangrijker dan het percentage autochtone leerlingen. Daardoor kunnen scholen met veel leerlingen met laaggeschoolde ouders veel moeilijker voldoen aan de minimumeisen.

Omdat leerlingen op islamitische scholen meestal laaggeschoolde ouders hebben, lopen islamitische scholen een grotere kans dan de gemiddelde Nederlandse school om de minimumnorm niet te halen. Dat ligt echter niet aan het islamitisch karakter van die school, maar aan het lage opleidingsniveau van de ouders op een islamitische school.

Toegevoegde waarde
Dat lage opleidingsniveau van de ouders van islamitische scholen leidt ook tot een ander gebrek van die scholen: een grotere kans op zwakke besturen. Het is immers moeilijk goede bestuurders onder laagopgeleide ouders te vinden, en het ontbreekt de islamitische Nederlanders aan een hoogopgeleid kader dat leiding kan geven aan hun scholen.

Kwaliteit kan ook gemeten worden door vast te stellen wat een school de leerlingen heeft geleerd in de periode die ze op school doorbrachten: de toegevoegde waarde van een school. Meestal wordt deze vastgesteld door het eindniveau van leerlingen te corrigeren voor het opleidingsniveau van de ouders of het gemiddelde advies van het voorafgaand onderwijs.

Scholen met een gemiddeld eindniveau en met veel laaggeschoolde ouders hebben zo een hoge toegevoegde waarde, terwijl scholen met hetzelfde gemiddelde eindniveau maar met veel hooggeschoolde ouders een lage toegevoegde waarde hebben.

Het probleem van toegevoegde waarde als kwaliteitsindicator is dat sommige scholen met een hoge toegevoegde waarde nog steeds niet kunnen voldoen aan de minimumnorm: hoewel leerlingen op die scholen veel geleerd hebben, was hun startniveau zo laag dat zij het minimumniveau nog steeds niet halen.

Etnische homogeniteit
Daardoor kunnen er verschillende lijsten van scholen met hoge en lage kwaliteit ontstaan, de een gebaseerd op toegevoegde waarde, de ander op minimumnormen. Beide zijn een legitieme manier om kwaliteit te meten, maar ze kunnen tot andere resultaten leiden. Een verstandige regel voor het sluiten van scholen kan zijn dat alle scholen met resultaten onder het minimumniveau gesloten worden, tenzij zij een hoge toegevoegde waarde hebben.

De gemiddelde toegevoegde waarde van islamitische scholen is, net als die van andere religieus geïnspireerde scholen, hoger dan die van vergelijkbare openbare scholen. Dat kan komen door de grotere discipline (lagere uitval), door de meer traditionele aanpak in het onderwijs (meer huiswerk), door de sterkere band met de ouders (meer gemeenschap) en, in het geval van islamitische scholen, door hun grotere etnische homogeniteit.

Omdat de onderwijsinspectie in hoofdzaak gebruik maakt van kwaliteit als toegevoegde waarde komen op de lijst van zeer zwakke scholen veel openbare scholen voor. Het percentage zeer zwakke islamitische basisscholen is 7,5, terwijl dit percentage voor openbare basisscholen 9,2 bedraagt en 7,8 voor vrijgemaakt gereformeerde scholen.

Waarden en normen
Het beïnvloeden van de juiste waarden, normen en houdingen van leerlingen door de school zien velen als een belangrijke taak van het onderwijs. Het probleem is dat scholen ineffectief zijn in het veranderen van waarden en normen van leerlingen, als rekening wordt gehouden met de waarden en normen waarmee leerlingen de school binnenkomen. De verschillen in waargenomen waarden, normen en houdingen komen vooral door zelfselectie bij de schoolkeuze, en niet door het bezoeken van een religieuze school.

Waarden en normen worden in het Nederlandse onderwijs niet inhoudelijk gemeten. Hoogstens bekijkt de inspectie of Nederlandse scholen de juiste procedures toepassen bij het onderwijzen van bepaalde normatieve doelen, zoals burgerschap en integratie.

Bestuurlijke zwakte maakt islamitische scholen op dit punt kwetsbaar, want daardoor slagen zij er niet in de juiste procedures toe te passen, anders dan vrijgemaakt gereformeerde scholen, die vergelijkbare bezwaren hebben tegen deze normatieve doelen.

De waarden, normen en houdingen van islamitische scholen staan verder weg van de (post-)christelijke cultuur van Nederland dan die van vrijgemaakt gereformeerde scholen, bijvoorbeeld op het punt van mannen- en vrouwenrollen, de relatie religie-samenleving en de relatie gelovigen-ongelovigen.

Bedreiging
Daardoor roept hun bestaan meer conflict op; de vrijheid van onderwijs is immers ontstaan om conflicten binnen het christendom op te vangen, niet voor conflicten tussen wereldreligies. Joodse en hindoescholen, die ook gebruik maken van de vrijheid van onderwijs, zijn een te kleine minderheid om als bedreiging gezien te worden.

Er zijn echter meer islamitische scholen, waardoor deze wel meer als bedreiging van de (post-)christelijke cultuur ervaren worden. Uit de geringe effectiviteit van scholen in het veranderen van waarden en normen van leerlingen volgt echter dat de omvang van de groep ouders met waarden en normen die afwijken van de dominante (post-)christelijke cultuur de oorzaak is van deze dreiging.

Het aantal islamitische scholen is eerder een indicator van het bestaan van een substantiële groep ouders die de dominante (post-) christelijke cultuur afwijzen, dan de oorzaak van die afwijzing.

Onderwijsmethoden
Het oordeel van de inspectie over scholen is gebaseerd op de toegevoegde waarde van een school, gecombineerd met een oordeel over het gebruik van bepaalde onderwijsmethoden door de scholen.

Een school met lage resultaten in kennis en vaardigheden maar met volgens de inspectie de juiste onderwijsmethoden kan zo het predicaat zwak of zeer zwak ontlopen. Tegelijkertijd kan de inspectie een school met goede resultaten, maar met ouderwetse onderwijsmethoden toch als zwak of zeer zwak bestempelen.

Islamitische scholen passen veel vaker ouderwetse onderwijsmethoden toe, en kunnen daardoor sneller een negatief inspectie-oordeel krijgen, overigens net als vrijgemaakt gereformeerde scholen.

Bij islamitische scholen wordt dit nog versterkt door hun bestuurlijke zwakte, waardoor zij niet goed kunnen reageren op klachten van de inspectie over de wijze waarop zij onderwijs geven.

Land van herkomst
Uit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt geregeld dat immigrantenleerlingen afkomstig uit islamitische herkomstlanden (zoals Turkije, Marokko, Pakistan) lagere onderwijsprestaties hebben dan vergelijkbare immigrantenleerlingen uit christelijke herkomstlanden (zoals Joegoslavië, Polen, Rusland), en die doen het weer slechter dan vergelijkbare immigrantenleerlingen uit niet-islamitisch Azië (zoals India, Vietnam, Korea, China).

Wat de verklaring ook moge zijn, het betekent dat leerlingen met een islamitische achtergrond gemiddeld lagere onderwijsprestaties halen in hun migratieland.

Maar het percentage leerlingen uit islamitische landen op scholen heeft geen negatief effect op de onderwijsprestaties van hun medeleerlingen, als men rekening houdt met het lage ouderlijke opleidingsniveau op die scholen.

Gevestigde belangen
De combinatie van deze uitkomsten betekent dat leerlingen op islamitische scholen lagere onderwijsprestaties halen dan vergelijkbare leerlingen op een vergelijkbare hindoeschool, maar dit komt niet doordat zij op een islamitische school zitten, maar doordat de leerlingen afkomstig zijn uit een islamitisch herkomstland.

Het sluiten van slechte scholen is een uitstekend idee, maar de uitvoering vraagt veel politieke en bestuurlijke moed om gevestigde belangen aan te kunnen pakken en inhoudelijke keuzes te maken.

Daarom is het risico groot dat alleen zwakke scholen met onvoldoende politieke dekking maar met een hoge zichtbaarheidsgraad gesloten worden. Dat betekent dus vooral islamitische en Iederwijs-scholen, en - afhankelijk van het politieke gewicht van de CU en SGP - ook vrijgemaakt gereformeerde scholen.

Dit artikel is een door de auteur zelf ingekort artikel dat op 27 april verschijnt in S&D, het wetenschappelijk tijdschrift van de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden