Column Peter de Waard

Is de arbeidsinkomensquote nepnieuws?

‘De arbeidsinkomensquote (AIQ) is explosief gestegen en bedraagt op dit moment 92 procent: dat is onaanvaardbaar en onverantwoord hoog’, schreef directeur Cees van den Beld van het Centraal Planbureau in 1977.

Het was een publieke waarschuwing aan vakbondsman Arie Groenevelt die de barricades bleef beklimmen op een moment dat industriële bedrijven na de oliecrisis massaal het loodje legden. In die jaren stegen de reële lonen sneller dan de arbeidsproductiviteit, waardoor de AIQ steeds hoger werd en winsten omsloegen in verliezen. In 1982 kwam het land tot bezinning en werd met het akkoord van Wassenaar loonmatiging afgedwongen.

Sindsdien daalde de arbeidsinkomensquote − het aandeel dat werknemers en zelfstandigen krijgen van de nationale koek − in ras tempo. In 1995 kregen werknemers en zelfstandigen 81 cent van elke hier verdiende euro en bleef 19 cent bij de bedrijven die er hun aandeelhouders mee konden fetêren. In 2013 kreeg de zogenoemde factor arbeid 78 cent. En vorig jaar was dat nog maar 73 cent. De resterende 27 cent ging naar de factor kapitaal.

Al enige tijd roept De Nederlandsche Bank op grond van dit cijfer dat het nu naar de andere kant is doorgeschoten. Dat leidt tot groeiende ongelijkheid. En ook tot minder groei, omdat werknemers en zzp’ers hun geld uitgeven en bedrijven en aandeelhouders die oppotten. President Klaas Knot pleit al jaren voor loonsverhogingen.

Het economisch bureau van de Rabobank stelde in februari dat de groei van het reëel besteedbare inkomen sinds 1977 sterk is achtergebleven bij de groei. Zelfs premier Rutte roept dat werknemers een groter deel van de nationale koek zouden mogen krijgen, maar vindt dat werkgevers en werknemers dat zelf moeten uitvechten. Maar door de toenemende flexibilisering en tanende macht van vakbonden lukt dat slechts mondjesmaat.

De werkgevers willen niet dat ze net zoals de bonden eind jaren zeventig nu in de hoek worden gedrukt. Vorige week kwamen VNO-NCW en MKB Nederland met een berekening (uitgevoerd door de Stichting Economisch Onderzoek) dat de arbeidsinkomensquote ‘beperkt bruikbaar is’, ‘de definitie onduidelijk is’ en ‘er van bijzondere ontwikkelingen geen sprake is’. De lage stijging van de reële lonen is vooral te wijten aan de lage productiviteitsgroei. De daling van de arbeidsinkomensquote moet maar met een korreltje zout worden genomen.

Dat de definitie, die behalve door CPB en DNB door IMF en Oeso wordt gebruikt om het aandeel van de factor arbeid in het nationaal inkomen te meten, niet perfect is, staat buiten kijf. Toen Van den Beld in 1977 zijn opmerking plaatste schreef arbeidseconoom Wiemer Salveda in ESB al ‘Haalt de arbeidsinkomensquote de 100 procent? En wat dan nog?’

Toen wilden werkgevers van dergelijke argumenten niets weten. Nu wordt het met die argumenten als ‘nepnieuws’ afgeserveerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.