COLUMNPeter Middendorp

Intussen, maanden later, wast acht procent nog altijd zijn handen niet

Overal hoor je deze weken mensen praten over wat we niet mogen. We mogen niet meer juichen in het voetbalstadion, niet meer zingen voordat we binnengelegenheden uit zijn, geen polonaises lopen in bezwete cafés, we mogen elkaar, als de muziek wat hard staat, niet langer dan 15 minuten in het gezicht schreeuwen, zelfs niet in de buitenlucht. Een paar straten verderop mogen ze elkaar besmetten zonder mondkapje en wij niet. 

Het werkwoord ‘mogen’ komt mij als opvoeder van een 9-jarige bekend voor, om niet te zeggen: een beetje uit de neus en de oren. Kinderen gebruiken het woord in iedere zin, ik word gek van het onderhandelen. Mag ik dit, mag ik dat? Nog heel even, de allerlaatste keer? Iedereen mag tot vreselijk laat naar buiten met snoep en zonder toezicht en met tv en een eigen telefoon, behalve ik.

Kinderen hebben geen positieve vrijheid, zoals het heet sinds Isaiah Berlin het onderscheid maakte, de vrijheid om te kiezen door wie je wil worden bestuurd. Ze moeten hun negatieve vrijheid, om te kunnen doen en laten wat je wil, dagelijks op hun opvoeders bevechten. Maar het virus is geen opvoeder. Grote mensen zijn door hun positieve vrijheid medeverantwoordelijk voor de regels, er is geen grond meer waarop zij nog een beroep zouden kunnen doen op het werkwoord ‘mogen’.

Vanaf zijn eerste persconferentie sinds de uitbraak van het virus heeft premier Rutte ontzettend veel gevoel voor ons leed opgebracht. Hij heeft ons vanuit een licht gekanteld gezicht aangekeken met droevige ogen en daarbij gezucht als koningin Beatrix na de aanslag in Apeldoorn. Toch was het lang niet genoeg om ons de regels te doen laten naleven. Spreek mensen aan op hun eigenbelang, adviseren gedragsdeskundigen sindsdien, hun portemonnee, anders begrijpen ze het niet. Het belang van anderen is ons dus kennelijk niet concreet genoeg. Een virus. Ziekte. De dood. Iets te abstract.

Intussen, maanden later alweer, wast 8 procent nog altijd zijn handen niet. 8 procent. En dat is dan alleen nog maar het deel dat het eerlijk durfde toe te geven. Zou het dezelfde groep zijn, die nog steeds openlijk hoest en niest, zonder zakdoekje of elleboog, zelfs zonder een hand voor de mond? Op zich zou dat wel goed uitkomen, een geluk bij een ongeluk. Dan zit er tenminste geen virus aan die handen als ze op je afkomen en roepen: ‘Ik ben Harry en ik schud gewoon handen, hoor!’

We gaan overal naartoe, in en op. We sturen elkaar foto’s: kijk eens hoe druk het hier is! Hier is het nog drukker!’ De boot naar Schiermonnikoog, zag ik op zo’n foto, was voller dan ooit, een volgepropte partyboot. De dag erna las ik in het Dagblad van het Noorden: het hele eiland ligt vol mondkapjes. Overal. In bermen, sloten, velden, bossen, duinen, op het strand en in de zee.

Het kabinet koerst vanaf het begin op ons gezonde verstand. Een onvergeeflijke fout.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden