Column Jasper van Kuijk

Internationalisering is misschien geen verdienmodel, maar door alle perverse prikkels in het systeem wel een overlevingsstrategie

Studentenkamers zijn inmiddels zo schaars dat de gemiddelde kamerprijs nu voor het eerst boven de 400 euro zit. En in Wageningen bivakkeren eerstejaars noodgedwongen op een camping. Een woordvoerder benadrukte dat het allemaal niet aan de universiteit ligt: ‘Als we minder studenten zouden aannemen vanwege het tekort aan kamers, dan maken we huisvesting leidend in ons beleid. Dat zijn we niet van plan.’

In Wageningen is de groei van het aantal studenten met 60 procent in zes jaar wat extreem, maar het past in een landelijke trend. En de groei bestaat sinds 2013 voor zo’n tweederde uit internationale studenten.

Onderwijsbestuurders haasten zich vaak te benadrukken dat internationalisering geen verdienmodel is. Immers, de Nederlandse overheid legt voor studenten van binnen de EU evenveel bij als voor een Nederlandse student. En studenten van buiten de EU betalen het kostendekkende instellingstarief. Dus, mensen, ‘die internationalisering doen we niet om het geld, maar omdat het goed is voor de kwaliteit’.

Dat is een geruststellende gedachte, alleen is het niet waar.

Vooropgesteld, internationalisering van onderwijs heeft voordelen. Ik maak het als universitair docent van dichtbij mee. Internationale studenten zijn vaak zeer gemotiveerd en bieden een grotere variatie aan perspectieven. Je kunt wereldwijd werven voor onderwijspersoneel, wat de keuze vergroot. Bovendien zullen veel studenten later gaan werken in internationale bedrijven, voor internationale klanten en met internationale collega’s. Dan is een internationale onderwijscontext een pre.

Maar internationaliseren is niet per se hetzelfde als groeien. Internationaliseren vergt al het nodige van een onderwijsinstelling, maar als de studentenaantallen dan ook nog hard groeien, ontstaan de huidige nare bijeffecten als kamernood, enorme werkdruk voor het onderwijzend personeel en logistieke capaciteitsproblemen zoals te weinig collegezalen.

Dan zou je zeggen dat je als onderwijsinstelling toch even op de rem gaat staan. Maar die mogelijkheid hebben de universiteiten niet.

Universiteiten zijn financieel namelijk sterk afhankelijk van de rijksbijdrage, die voor een aanzienlijk deel wordt verdeeld op basis van studentenaantallen. Maar omdat de totale grootte van de rijksbijdrage geen gelijke tred heeft gehouden met de groei van het aantal studenten, beconcurreren hoger onderwijsinstellingen elkaar: wie meer studenten binnenhaalt krijgt een groter stuk van de taart.

Daar bovenop concludeerde het Rathenau Instituut dat universiteiten een deel van het toegekende onderwijsgeld inzetten voor ‘matching’; wie onderzoeksfinanciering binnenhaalt moet daar steeds vaker een eigen bijdrage vanuit de universiteit tegenoverstellen. Kortom: haal te weinig studenten binnen en je krijgt de financiering voor je onderzoek niet meer rond.

En dan zijn er nog de kleinere opleidingen, die onder druk staan omdat ze te duur zijn, die vaak alleen kunnen overleven door te internationaliseren. Wat eraan heeft bijgedragen dat een masteropleiding Franse taal en cultuur inmiddels in het Engels wordt gegeven.

Kortom, internationalisering is misschien geen verdienmodel, maar door alle perverse prikkels in het systeem op z’n minst een overlevingsstrategie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.