ColumnJasper van Kuijk

In Nederland heb ik altijd geleerd dat je nóóit zelf de spoedeisende hulp binnen moet lopen, tenzij je in coma ligt

null Beeld

Van achter uit de tuin klinkt een lange, ijselijke gil. Het is de eerste bijna-zomeravond, wanneer de warmte van de zon net door je huid begint te dringen, en de jongens zijn na het eten nog even naar buiten. Acht komt brullend naar ons toe. Hand op zijn voorhoofd, het bloed stroomt erlangs. Ems rent op hem af: ‘Jasper, pak een theedoek!’

Ik vlieg naar binnen en bel tegelijk met Vårdguiden, de landelijke telefoonlijn die in het wat ontoegankelijke Zweedse overheidszorgsysteem de doorverwijzingen regelt. Het was een van de eerste telefoonnummers die we in onze telefoons zetten toen we hier aankwamen. 45 minuten wachttijd, zegt de computerstem. Voor levensbedreigende situaties belt u 112. Ja, levensbedreigend lijkt het me niet, maar ik voel er weinig voor om drie kwartier te blijven hangen tot mijn kind is leeggebloed en ik wel 112 mag bellen. Ik hang op.

Buiten kijk ik met gespeelde rust voorzichtig naar de wond. ‘Ik gooide een balk op mijn hoofd’, snik-hikt Acht. Het stroomt gelukkig niet meer zo hard, maar door al het geronnen bloed kan ik de wond niet goed zien. Wel fijn als iemand hier even naar kijkt. Alleen zitten we op 25 minuten rijden van de dichtstbijzijnde ‘Vårdcentralen’ (zorgpost). En we weten niet eens of we daar wel heen mogen.

Terwijl Ems belt met de buurvrouw om te vragen wat we precies moeten doen, ga ik met Acht alvast rijden. Hij zit op de achterbank met een bleek gezicht en een washand met bevroren erwtjes tegen zijn voorhoofd. Ik bel Ems om te horen wat het plan is, maar de dekking op dit stuk is zo beroerd dat ik haar pas na acht keer te pakken krijg: ‘Volgens Anna gaat het toch via Vårdguiden, die lange wachttijd is waarschijnlijk door corona. Ik zit nu in de wacht’, zegt ze. ‘Vårdcentralen is ’s avonds dicht, jullie moeten door naar het ziekenhuis.’ Het ziekenhuis, dat is 40 minuten rijden.

Als Acht en ik parkeren bij de achteringang van het ziekenhuis blijkt die afgesloten wegens corona. We rijden om naar de hoofdentree en krijgen daar via de intercom instructies om ons te melden bij de spoedeisende hulp, bij een tent. Daarna belt Ems dat Vårdguiden ons inderdaad heeft doorverwezen naar dit ziekenhuis. Sympathiek van ze, aangezien we hier al zijn.

Lopend dwalen we rond het complex en uiteindelijk vind ik een tent met een bord ‘Subakuten’ (semi-spoedeisend). In Nederland heb ik altijd geleerd dat je nóóit zelf de spoedeisende hulp binnen moet lopen, tenzij je in coma ligt. Dus dat ze ons naar de semi-spoedeisende hulp sturen klinkt logisch. Alleen is er na een halfuur, twintig keer bellen en drie intercomgesprekken nog steeds niemand verschenen. Dit kan niet kloppen. Ik bel naar het centrale nummer van het ziekenhuis. ‘Subakuten? Hebben wij een Subakuten? Meneer, u moet naar Akuten, naar een gele tent.’ Ik kijk naar onze tent. Die is wit.

Ik neem Acht op mijn arm en bel Ems. ‘Kun jij op de computer kijken waar de spoedeisende hulp zit? Het is hier één groot doolhof en ik krijg alleen maar vage instructies.’ Ik heb me lang niet zo verloren gevoeld. De spoedeisende hulp blijkt in wéér een andere hoek van het ziekenhuis op een binnenplaats te liggen.

Eenmaal bij de gele tent mogen we na een coronacontrole door voor behandeling. Achts wond wordt schoongemaakt door een supervriendelijke verpleegkundige. Het hoeft niet gehecht, maar ze vindt het zeker niet raar dat we ernaar wilden laten kijken.

Ik ben opgelucht, over beide. Maar vanavond was toch ook een spoedcursus in hoe we sommige stukken van het leven hier nog net niet helemaal hebben doorgrond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden