Column In het spoor van de jonge Rembrandt

In het spoor van de jonge Rembrandt: burgers als vorsten

Portret van Marten Soolmans, geschilderd door Rembrandt. Beeld Rijksmuseum, Amsterdam

Rembrandt woonde de eerste 25 jaar van zijn leven in Leiden. Onno Blom werkt aan een biografie van die jaren en bericht daarover hier een jaar lang verslag.

In 1634 was Rembrandt definitief een Amsterdammer geworden. In zijn geboortestad Leiden kwam hij, na een periode van twee jaar heen en weer reizen, vrijwel nooit meer. Hij trouwde in de zomer met de bekoorlijke Friese burgemeestersdochter Saskia van Uylenburgh, schreef zich in bij het Amsterdamse Sint-Lucasgilde, en kreeg de ene goedbetaalde opdracht na de andere. Twee portretten per maand leverde hij af, in verbluffende, soepele stijl geschilderd. Rembrandt was de nieuwe ster van de stad.

In datzelfde jaar schilderde hij de jonge, rijke burgers Marten Soolmans en Oopjen Coppit. Ten voeten uit, in twee levensgrote pendanten, ter gelegenheid van hun huwelijk. Marten draagt een geribd zijden pak, zwarte hoed, een fraaie kraag en de grootste rozetten die ooit op schoenen te zien waren. Oopjen draagt een japon van genopte zwarte zijde, met een al even schitterende kanten kraag. Ze zien eruit als vorsten.

Overdadige rijkdom

Deze portretten zijn altijd gezien als bewijzen van de overdadige rijkdom van de Amsterdamse elite in de Gouden Eeuw. De schilderijen hebben altijd hun waarde behouden. Rembrandt zal in 1634 zo’n 500 gulden per stuk als honorarium hebben gevraagd. De Nederlandse en Franse staat betaalden in 2015 aan de adellijke familie De Rothschild 160 miljoen euro om de pendanten afwisselend in het Rijksmuseum en het Louvre te kunnen exposeren.

Hoe Amsterdams de schilderijen ook zijn, de oorsprong zou weleens in Leiden kunnen liggen. Rembrandt en Marten Soolmans moeten elkaar daar hebben ontmoet. Marten, zoon van een puissant rijke zakenman die in de hoofdstad een suikerraffinaderij dreef, kwam drie jaar na de dood van zijn vader, in 1628, in Leiden rechten studeren en betrok een pand aan het chique Rapenburg. Vlak in de buurt van Rembrandts ouderlijk huis in de Weddesteeg. Nog geen drie minuten lopen.

Rembrandt en Marten zullen elkaar zijn tegengekomen in De Drie Haringen, op de hoek van het Noordeinde en het Rapenburg. De vader van Isaack Jouderville, Rembrandts leerling, had die herberg bijna twintig jaar lang gedreven. Toen Isaacks ouders eind 1629 kort na elkaar stierven, bleef de jongen boven de zaak wonen en ging hij bij Rembrandt – zelf ook nog maar 23 – in de leer. De herberg werd gepacht door een zekere Dionys Dammiansz.

‘Aen 't hooft gequetst’

De waard duikt op in een getuigenisboek in het Leidse stadsarchief. Op een zonnige lentedag in 1630 werd Dionys buiten de stadswal, bij ’t Schouw van Valkenburg, aangevallen door een tapper en diens dronken echtgenote. De tapper ging de waard te lijf met een bijl en de vrouw sloeg Dionys met een kolf, een houten stok, zodat die ‘aen ’t hooft gequetst’ raakte. Bloed spatte in de rondte.

Marten en zijn studievriend Johannes, die buiten de stad vertoefden voor een pint wijn, zagen de vechtpartij gebeuren. Johannes schoot het slachtoffer te hulp en wist de man met de bijl te overmeesteren. Onder de getuigenverklaring, opgesteld op 20 juni 1630, staan de keurige handtekeningen van de twee Leidse rechtenstudenten: ‘Johannes van der Meijden’ en ‘Martinus Soolmans’.

Vier jaar later zette de schilder in Amsterdam zijn handtekening op het portret van Soolmans, links naast de zilverzijden kousenband om zijn been: ‘Rembrandt f… 1634.’ Rembrandt heeft dit gemaakt in 1634.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden