ColumnDaniela Hooghiemstra

In het moderne activisme is de theorie dus belangrijker dan de praktijk

null Beeld

Hoewel maatschappelijke spanningen toenemen, speelt sociale strijd zich de laatste tijd vooral af in theorie. Voor hoger loon gaat niemand de straat nog op, maar de pleidooien voor ‘eerlijkheid’, ‘inclusiviteit’ en ‘veiligheid’ vliegen je intussen om de oren. Niet verwezenlijkt socialisme is een businessmodel geworden, zoals Rutger Bregman, revolutionair en bestsellerauteur te Houten, illustreert.

Bij het huidige maatschappelijke streven naar ‘veiligheid’ moet je ook niet denken aan een al te materiële invulling, zoals vrijwaring van beroving, verkrachting of moord. Nee, in het moderne van de aarde losgezongen strijdjargon betekent het: in een collegezaal niet geconfronteerd worden met mensen of opvattingen die jou een naar gevoel geven.

In dit klimaat van bevlogen metarevolutie werd in opdracht van de overheid voor de cultuursector onlangs een ‘handreiking’ ontwikkeld voor ‘veilige’ taal, die de cultuur ‘inclusiever’ moet maken (O&D, 6 mei). Op dit moment volg ik een avondcursus Italiaans, maar het onder de knie krijgen van de ‘condizionale’ is peanuts vergeleken bij het theoretische bouwwerk dat werknemers in de culturele sector zich in het kader van die veiligheidsoperatie eigen moeten maken.

Overal liggen onregelmatigheden en dubbele bodems op de loer. Hele alinea’s, zogenaamde ‘mogelijke interventies’ moeten uit het hoofd geleerd om tegen de taak als vertegenwoordiger van de culturele sector nog opgewassen te zijn. Zo spreek je iemand die een gehandicapte vergezelt niet aan als ‘ondersteuner’, maar als ‘begeleider’ (of was het juist omgekeerd, daar gá ik al) mag je over een vrouw niet zeggen dat zij ‘een bedrijfje’ runt (mag je dat over een man wel zeggen?) en dient ook het woord ‘vluchtelingencrisis’ te worden vermeden, want: ‘wie bepaalt dat het een crisis is?’ Nu geloof ik niet dat mensen die huis en haard vanwege een oorlog moeten verlaten zich dat zullen afvragen, maar in het moderne activisme is de theorie dus belangrijker dan de praktijk.

De ‘handreiking’ waarschuwt ook tegen het zogenaamde fenomeen van ‘othering’. Dat is een Engelse term voor ‘het benadrukken van vermeend anders-zijn, waardoor ongewild een wij-zij kloof ontstaat’. De laatste jaren zijn schrijvers en kunstenaars nogal eens op die kloof gestuit doordat ze bedreigd, vermoord of uit religieuze gemeenschappen verstoten werden. Maar over die fysieke variant gaat het in de ‘handreiking’ niet.

Ook de aanname dat ‘eerlijkheid’ voor kunstsubsidies de basis vormt, is van theoretische aard. In de praktijk is dat namelijk niet het geval. De oorzaak daarvan is niet de dominantie van ‘witte cisgenders’, zoals de ‘handreiking’ veronderstelt, maar het feit dat kunstsubsidie in zichzelf een privilege is, dat 99,9 procent van alle mensen buitensluit.

In het beste geval wordt de veelzijdigheid en kwaliteit van cultuur door subsidies bevorderd, in het slechtste geval wordt steeds dezelfde kunst bevoordeeld en/of is het geldverspilling. Maar ‘eerlijk’ in de zin van ‘gelijk verdeeld’ worden ze nooit, welke taal je daarvoor ook ontwikkelt. Met ‘eerlijkheid’ heeft cultuur ook helemaal niets te maken en tegen de tijd dat je dit criterium aan de makers en hun uitingen zélf gaat stellen, vernietig je haar zelfs, wat toch wel het omgekeerde is van wat subsidie beoogt.

Bij het streven naar gelijkheid in de cultuur moet het publiek volgens de handreiking een grotere rol krijgen. De ‘passieve bezoeker’ verandert in ‘participant’, zo lees ik, en daarom is ‘nieuwsgierigheid’ naar hem vereist. Ik ken daar een professionelere term voor: marketing. Daar is niets nieuws aan, hele opleidingen heb je ervoor. De multinational Unilever die zich hierin specialiseert, maakte vroeger alleen margarine, maar omdat het bedrijf in de loop van de vorige eeuw leerde uitvogelen wat de meeste mensen willen, namelijk zoet, zout en vet voedsel, is het gaandeweg de maker geworden van zo’n beetje alles dat op ons bord komt, tot aan gesponsorde televisie aan toe. Deze op een gelijke massa afgestemde smurrie smaakt altijd hetzelfde, maar doordat zij steeds anders verpakt wordt, leven de ‘participanten’ in de veronderstelling dat ze elke keer wat nieuws krijgen.

Zo hoeft cultuur niet veel te kosten en wordt subsidie straks überhaupt overbodig.

Daniela Hooghiemstra is historicus en schrijver.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden