Column Eva Hoeke

In het Dorp zijn de dagen nog overzichtelijk, schrijft Eva Hoeke

Er zat een socioloog in de kamer.

Hij droeg een bril, zat in een denktank, was gezonden door de Stad en wilde nu weten waarom wij anderhalf jaar geleden  naar een Dorp waren verhuisd.

In de keuken wacht de koffie in een porseleinen kopje met blauw-wit bloemmotief dat begin 1900 in de zware, eikenhouten kast van een schoolmeesterwoning in Middelbeers had gestaan. Het 20-delige Blue Danube servies had toebehoord aan de hoofdonderwijzer, zijn vrouw en zestien kinderen, en na hun overlijden was het doorgegeven, en nog eens, en nog eens, net zolang tot het driehoog achter in de Amsterdamse Pijp terecht was gekomen bij een neef die het jarenlang in een verzakte, kartonnen doos had laten staan, ongezien, onbekommerd. Pas toen het servies na een onvoorzien maar vrolijk lot in een nieuw huis terecht was gekomen, stomtoevallig weer een schoolmeesterwoning zij het dit keer in een Dorp ver boven de rivieren, had het zich opnieuw onder luid ge-oh en ge-ah van de koude kant getoond, kalm en triomfantelijk, als glimmende edelstenen die al die jaren geduldig hadden gewacht tot hun koning uit ballingschap was teruggekeerd.

‘We vonden het huis zo mooi,’ zei ik terwijl ik het kopje voor de socioloog neerzette. ‘We houden van oude huizen en in de stad zijn die allemaal bezet. Tenzij je rijk bent. Of mazzel hebt.’ Ik maakte een grapje: ‘Of ik had een andere man moeten kiezen.’

De socioloog noteerde iets.

Daarna ging het gesprek zoals het altijd gaat als het over onze verhuizing gaat: de reden, de voors, de tegens, de conclusie. De recorder liep, halverwege werd ik moe van mijn eigen verhaal. Toen hij een uur later het pad afreed en de weg opdraaide, zette ik het kopje in de gootsteen en keek ik een tijdje naar buiten. Het was stil op straat, af en toe reed er een bestelbusje voorbij. In de tuin klonk een merel. Over een uur ging de school uit, tien minuten voor de bel zou het plein ineens volstromen met vaders en moeders die na een korte kakafonie ook allemaal weer verdwenen, waar naartoe wist ik niet. Wanneer onze eigen kinderen eenmaal naar school zouden gaan zouden we vanzelf vrienden maken, zeiden de vrienden die wel in de stad waren gebleven.

Het was niet zo dat ik me mijn leven voor ons vertrek naar het Dorp vergeten was, maar het was een ander leven geworden, ván een ander, iemand met oordoppen in en de tas aan het stuur, druk, druk, druk, vaak druk om niks ook. In het Dorp waren mijn dagen overzichtelijk geworden, het bood vaste gezichten en duidelijke patronen zoals je favoriete soap op televisie, en naarmate de seizoenen vorderde begon je je vanzelf te hechten aan de karakters, of je nou wilde of niet.

De slager met de tatoeages en vijf kinderen, ­tevens zoon van de burgemeester.

De kroegbaas tegenover, een verdwaalde tukker, leverancier van bier als we dorst hadden, eieren als de winkels dicht waren en ladders als de sleutels weer eens kwijt waren. 

De vrouw in de seniorenflat, de eerste in het Dorp die me gedag zwaaide toen we hier kwamen wonen. Op een dag maakt ze een gebaar, wacht even. Even later kwam ze naar buiten en kreeg de Dochter een pakje biscuitjes in de vorm van Nijntje, haar eigen kind verloor ze op het spoor.

Zelfs de monumentale verveling van de Kruidvatmeisjes hoorde bij dit nieuwe leven, deze soap waarin wij slechts figuranten waren, nóg wel, want na de zomer ging de Dochter (3) naar school en zo een tweede anker uitgooien in nieuwe grond.

Ik keek naar buiten.

Niemand keek terug.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden