ColumnErdal Balci

In een door morfine aangedreven droom liep ik door de korenvelden van Van Gogh

. Beeld .
.Beeld .

Ik heb ze één voor één geteld; nog een paar uurtjes en het is dertien dagen geleden dat ik in een voor de rest stille nacht onwel werd en van de trappen viel. Ik deed in het ziekenhuis mijn ogen open, met een kraag om mijn nek en verschrikkelijke pijn aan mijn rug, schouder, handen en polsen.

Een vrije val die eindigde op een stenen vloer: een fractuur aan de nekwervel en twee in de rug. En dan de lange, slapeloze, onzekere nachten in de ziekenhuiskamer, vele uren van angsten en mijmeringen, om erachter te komen dat een val meer is dan een ordinaire duikeling naar beneden.

Hoe ging het dan, dat naar beneden donderen midden in de nacht? De grote beweging van een lijf buiten bewustzijn; benen, armen en hoofd net zo afhankelijk van de wil van de zwaartekracht als de levenloze ledematen van een houten pop. ­Pinokkio die valt omdat hij nooit wil leren. Iedere nieuwe tree een nieuw hoofdstuk uit mijn leven, iedere klap de eerlijkste spijtbetuiging voor de harten die ik heb gebroken.

Ik blijf me afvragen hoe de val eruitzag in de nachtelijke uren waar alleen mijn vallen de stilte doorbrak. Klonk het gedonder eindelijk als het protest van een doorgaans veel te milde persoonlijkheid? Was op dat moment sprake van een nieuwe werkelijkheid? Kwam het kind van lang geleden voor even tot leven terwijl het volwassen lichaam naar beneden ging? Hield moeder voor de verandering wel van dat kind? Om de simpele reden dat een vallend kind geliefd hoort te zijn?

Terug in de realiteit van nu zou u moeten weten dat een nekkraag vrij strak zit, dat je af en toe naar adem hapt en dat de patiënt in lange, onzekere dagen naar ieder contact met verpleegster, arts, keukendame en schoonmaakster snakt. In mijn bloed de morfine, de laatste uren van het arme meisje in de film Million Dollar Baby spokend door mijn hoofd.

En dan de vraag die alle gedachten wegdrukt: wat heeft het leven straks nog in de aanbieding? Mag ik door met de grote zoektocht naar de door een universele pen opgetekende eerlijkheid? Ben ik voortaan de overijverige gastarbeiderszoon van weleer die vastgekluisterd aan het bed in het ziekenhuis zonder uitzondering iedere dag de vraag gesteld krijgt over of ik echt geen halal-dieet wens? Of is de pijnlijke confrontatie met het geslachtsorgaan dat al vijf dagen te veel is gesteld op een diepe slaap niet meer te negeren straks?

Voordat ik het vergeet: in de dagen dat ik daar als een halve dode op een reactie van het lichaam wachtte, lag buiten op de daken en op het gras een dikke laag sneeuw. Liggen op mijn rechterzijde was op zijn zachtst gezegd pijnlijk. Maar ik deed het toch, omdat ik het konijnenpaar wilde gadeslaan dat iedere dag op het witte veld naar eten zocht. Hartverwarmend was de gedachte dat ik een van hen was, niet van de trappen gevallen, gelukkig op een weiland bij het ziekenhuis en de Hema-opslagplaats.

Na een paar dagen kwam de sterke zon op. De sneeuw smolt, het konijnenpaar was weg. Ander ziekenhuispersoneel kwam checken of ik echt geen halal-dieet wilde. Melk, honing, tomatensoep van het ziekenhuis. Door vrouwlief met veel liefde bereide zalm met rijst…

Het was de zesde nacht na mijn val, ik lag al de hele tijd, maar nu voor een slaap van de grote waarheid. In een door morfine aangedreven droom liep ik door de korenvelden van Van Gogh. Ik zag kraaien in een boom midden op dat gele veld. Ze krasten de hele tijd. Ik huilde dat het papier waar ik nog zoveel verhalen op wil laten drukken, blanco is. Al zwetend was ik wederom het lijdend voorwerp van een grote val, dit keer als een tweede Icarus die beterschap belooft.

Ik werd wakker, mijn T-shirt en het laken waren kletsnat van het zweet. Speelde mijn brein een spelletje met mij of was het leven weer terug? Ik voelde aan de erectie die in die zwoele nacht een comeback had gemaakt als de in de beruchtste gevangenis vergeten graaf van Montecristo. Met grote moeite stond ik op, beet op mijn tanden en zette twee stappen naar het raam. Alles deed pijn aan mijn lijf. Het was al dag, de konijnen waren in geen velden te bekennen. Ik prevelde: ‘Leef, leef, leef…’ 

Erdal Balci is schrijver en journalist

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden