Column Arthur van Amerongen

In Chefchaouen zag ik stuitende excessen van culturele toe-eigening. Zoals knalgele Ali Baba-sloffen

In het vorige cursiefje schreef ik dat de stad Tanger mij begin jaren tachtig verstootte alsof ik melaats was. Tanger notabene, de hoer van Afrika. Dat trauma is opgelost door de schrijver Abdelkader Benali. Hij leidde mij langs de kroegen en krochten van de stad, oorden waar Allah’s zegen niet op rust.Maar goed, Allah kan niet overal tegelijk zijn. Tanger voelde als een warm bad en met pijn in het hart nam ik afscheid, want de karavaan moest verder naar Chefchaouen, de blauwe stad in het Rif-gebergte.

In diverse damesglossy’s had ik reportages over deze toeristentrekpleister (‘best kept secret in Morocco - don’t tell a soul!’) gezien en mijn angst werd bewaarheid: Chefchaouen was geïnfesteerd met honderden Cosmo-girls, vergezeld door hun sukkelige mannies. Verder wemelde het er van Spaanse pubermeisjes wier billen en borsten uit de schaarse kleding lilden, en van stinkhippies. Chefchaouen ligt in de grootste cannabisplantage van de wereld.

Ik zag stuitende excessen van culturele toe-eigening, variërend van het dragen van knalgele Ali Baba-sloffen en Fatima-handjes tot het urenlang slurpen van mierzoete muntthee. De Cosmo-girls maakten selfies tussen honderden lammetjes en schaapjes op straat. Ik legde de meisjes uit dat de beessies nog maar een paar dagen te leven hadden omdat het slachtfeest nakende was.

Los van doelloos drentelen door de soek in de smoorhete medina, is er geen reet te doen in Chefchaouen. De verveling is moordend en ik moest denken aan het boek Bored Couples van Magnum-fotograaf Martin Parr. Ik ben ook wel eens een saai stelletje geweest, maar drank en drugs brachten dan verlichting.  Ik haat softdrugs en in het puriteinse Rif-dorpje is drank enkel verkrijgbaar in de Parador en de Atlas, droevige Oostblokhotels waar de peperdure drank zo slecht valt dat dood door muntthee een aantrekkelijk optie wordt. 

Het hoogtepunt van het bezoek was een meneer met papegaaien op stokjes. Als je hem tien dirham gaf, zette hij zo’n vogel op je kop en mocht je een selfie maken. Het leek mij wel aardig om een Herman Broodje te doen. Brood had in zijn nadagen de papegaai Cor, vernoemd naar de dichter Cornelis Vaandrager, op zijn hoofd zitten. Herman zat altoos onder de papegaaienschijt, wat ik wel hilarisch vond. Ik had echter geen zin om mijn kaki tropenpak te vernachelen. 

Op dat pleintje met die lorres werd ik plotsklaps overvallen door spleen. En toen wist ik het: ik was weer in Avifauna. Terug in de hel van mijn jeugd.

Beeld Gabriël Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden