Column Peter Buwalda

Ik zie nog zijn van pijn vertrokken hoofd toen hij mijn woonboot zag. ‘Ai’, zei hij, ‘ijzer’

Woonboot, ik wil een woonboot. Ooit heb ik een hele vakantie lang, nota bene in Chili, op websites naar woonboten gezocht. Hele middagen zat ik in de internetcafés van Santiago de Chile, vloten schouwend. Het was de tijd waarin Bill Gates homepages nog eigenhandig tevoorschijn breide, dus opschieten deed het niet.

Ik moest er snel een hebben. Voor vertrek had ik niet alleen mijn baan opgezegd, maar ook de huur. Meteen na Chili zou ik beginnen bij L.J. Veen, een kleine maar befaamde papierfabriek aan de Herengracht.

Geen idee waar ik zou gaan wonen, maar goede raad was dit keer betaalbaar: op weg naar Schiphol raakte ik in gesprek met iemand wier vader handelde in woonboten.

Ik wou dat ik zo’n dochter had. Verkocht ik nog eens wat boeken. Hoe weet ik niet, maar deze vrouw wekte in tien minuten tijd een onlesbare woonbotendorst in me op. In Chili kon ik plotseling aan niks anders meer denken, en warempel, mijn grote droom leek nog te gaan uitkomen ook: na eindeloos, soms nachtelijk gesodemieter met banken en makelaars had ik een kleine woonboot in optie, 35 drijvende vierkante meters, zeewaardig klonk het niet, maar wel midden in de Herengracht.

Sterker, op nog geen 50 meter van mijn nieuwe werk. Ik zag het voor me, iedere ochtend met ingezeepte kin naar mijn arriverende collega’s zwaaien. En toch nog op tijd komen, hè – hoe doet-ie het.

Helaas zat ik op de terugvlucht naast een kerel die er zelf een had, een woonboot. Ik zie nog zijn van pijn vertrokken hoofd toen hij mijn woonboot zag. ‘Ai’, zei hij, ‘ijzer.’

‘IJzer?’

‘Dat zie je meteen. Je moet beton hebben, joh. IJzer moet er ieder jaar uit.’

‘Waaruit?’

‘Uit het water. IJzer roest onder je kont vandaan, joh. Moet je ieder jaar in de verf zetten.’ Hij stak een vinger in de lucht en zei: ‘Koop een boot en werk je dood.’

Nou ja en toen kwam er dus een olifant door het gangpad aangewandeld en die blies het hele woonbootverhaaltje uit, dat begrijpt u wel.

Waarom vertel ik dit? Geen idee – maar dat heb ik iedere week. O ja, wacht: omdat het me vaak overkomt, een vakantie die zich niet ontplooit als ‘een soort schijf’ waarop je ‘zomaar ergens kunt beginnen’, om met Gerard Reve te spreken, maar ‘met een begin, een midden, en een einde, net als wij zelf dus’. Ik heb hiervan vele voorbeelden, grote en kleine, zelfs met moord en doodslag erin, maar vandaag gaat het om een paar schoenen in Zweden, waar Jet hier en ik net van terugkomen.

Alle dagen liep ik er te zoeken naar zwarte schoenen. Voor onder een pak. Winkel in, winkel uit, maar nergens het perfecte paar. Ik had een model in gedachten, ik had ze lang geleden aan de voeten gezien van een redacteur van de Volkskrant. Die wilde ik en geen andere – zo werkt dat.

Eigenlijk had ik de moed al opgegeven, totdat we op de allerlaatste dag door Hamburg liepen, de laatste tussenstop. En ja hoor, daar stonden ze, op straat, onbeheerd. Precies mijn maat. Helemaal netjes nog, maar wel al ingelopen. Zonder veters, vreemd genoeg.

Pik binnen, het is winter. (Reve.)

‘En doorlopen maar’, zei Jet, want je weet maar nooit, natuurlijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden