Column Sylvia Witteman

Ik zag een egeltje, midden in de stad, maar daar kon ik helemaal niks mee

Het was koud, het was laat en ik stond in mijn eentje te wachten op tram 5. Eindelijk kwam hij aanrijden, fel verlicht en bijna leeg, als een Hopper-schilderij. Voorin praatte een gesluierde vrouw zachtjes tegen twee dik ingepakte, slaperige kleine kinderen. Bij wijze van contrast zat, vier banken verderop, een tenger tienermeisje luidkeels te telefoneren. Ze droeg een spijkerbroek met zó veel opzettelijke gaten erin dat de huid daaronder rood zag van de kou.

‘Ja, daar kan ik dus niks mee’, riep het meisje. ‘Daar kan ik echt helemaal niks mee.’ Er stapten er twee jongens in. Ze waren een jaar of 18, de een met dreadlocks, de ander met vaalblond pluishaar dat bij het voorhoofd al begon te wijken. ‘Ik val dus nooit van de trap, echt nooit’, zei de blonde zonder duidelijke aanleiding. ‘Maar áls ik van de trap val, dan val ik ook echt góéd van de trap.’ Hij lachte sloom. De dreadlockjongen knikte, met zijn ogen half dicht.

‘Die ene keer toen bij Cedric was ik dus écht wel heftig gevallen’, vervolgde de blonde. ‘Met die scheur in m’n oor. Het ging telkens weer open bij het douchen...’ De dreadlockjongen knikte weer. Het dunne meisje kuchte, en hernam: ‘Nee. Nee, Jeffrey. Echt niet. Ik kan daar ábsoluut niks mee.’ Ze begon zo te hoesten, dat de tranen haar in de ogen sprongen.

‘Maar anders nooit, dus’, zei de blonde jongen. ‘Ja, gisteren dus, echt heftig, maar dat kwam door mijn moeder. Die had een stapel was op de trap gelegd, en ik gá toch op mijn bek... mijn hele elleboog lag open...’ Hij stroopte zijn mouw op. Hij viel opmerkelijk vaak van de trap, voor iemand die nooit van de trap valt.

‘Wat zeg ik nou, Jeffrey?’, sprak het meisje op dreigende toon. ‘Ik kán daar dus niks mee. Nee, Jeffrey. Nee.’ We naderden het Leidseplein en het meisje stond op. ‘Echt he-le-maal niks’, besloot ze. Ook ik moest eruit. De dreadlockjongen bekeek de elleboog van zijn vriend en maakte een sissend geluid. ‘Misschien moet je wat beter uitkijken’, concludeerde hij. ‘Op de trap, en zo.’

Terwijl ik van de tramhalte naar huis liep, hoorde ik iets ritselen in de struiken. Ik keek, en zag een egeltje. Een egeltje! Midden in de stad! Hij vluchtte weg voor het licht van mijn telefoon. Het was nog maar een kleintje. Waar was zijn moeder? Moest ik iets doen? Maar wat dan? Ik zag hem al nergens meer.

‘Hier kan ik dus niks mee, egeltje’, fluisterde ik. ‘He-le-maal niks.’

Als hij nu maar uitkijkt. Op de trap, en zo.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden