ColumnNico Dijkshoorn

Ik wilde gitaar leren spelen omdat ik net als Carlos Santana ergens in wilde verdwijnen

.Beeld .

Ooit moet ik naar gitaristen hebben gekeken en geluisterd zonder dat ik zelf gitaar kon spelen. Ik kan mij geen frustratie herinneren. Die kwam pas toen ik op een camping in Callantsoog de film Woodstock zag. Ik keek naar Carlos Santana, met zijn opgetrokken varkensneusje, en hij verdween in zijn gitaar.

Er stonden honderdduizenden mensen vlak voor hem, maar die zag hij niet. Hij was alleen. Vingers, gitaar, geluid. Daarna wilde ik gitaar spelen. Ik wist nog niet echt helemaal precies wat neuken was, dus dat kan nooit de reden zijn geweest. Loop op zaterdagavond een willekeurige bar binnen, kijk naar de gitarist en je weet dat het onzin is, dat je als muzikant de vrouwen uit je bed moet ranselen. Het is eerder omgekeerd. Het zijn allemaal mannen die in ieder geval één avond niet naar de vrouwenavond van SBS6 hoeven te kijken.

Ik wilde gitaar leren spelen omdat ik net als Carlos Santana ergens in wilde verdwijnen. Niet in een vrouw, maar in mijzelf. Dat ik een gitaar kon pakken als mijn ouders luidkeels de eventuele homoseksualiteit van een presentator bespraken. ‘Kijk dan, zijn broek. Die is gekleurd. Homomannetje, zeker weten.’

Ik heb mijzelf gitaar leren spelen. Met horten en stoten. Het F-akkoord. Dat was een doorbraak. Met 1 vinger twee hele scherpe snaren tegelijk indrukken en dat het dan toch niet klonk alsof je met een stuk metaal een ijzeren braadpan uitschraapte. Vele jaren later pas de tweede grote sprong: de snaar opdrukken, precies naar de plek op de hals waarmee je jezelf recht in de ziel raakt.

Ik kan pas een aantal maanden spelen zoals mijn hart bonkt, zoals mijn nieren hangen. Ik wil niemand ontmoedigen, maar dat heeft 45 jaar geduurd. Het was het allemaal waard. Vooral de worsteling.Vier keer heb ik de hals van mijn gitaar gebroken omdat mijn moeder riep dat het eten klaar was. De gang naar de kamer was te smal. Niets is treuriger dan een bungelende gitaarhals. Denk maar aan een zwaan die je tijdens het wandelen op zijn rug langs een sloot aantreft. Je tilt zijn kop en je voelt meteen: die is dood. Halsje doet het niet meer. Snaveltje hapt nooit meer naar lul. Dode gitaren zijn net zo erg.

Mijn lievelingsgitaar is een akoestische Gibson LG2 uit de jaren veertig. Jaren lang heb ik er alleen maar naar durven kijken. De vorige eigenaar zat er nog te veel in. Hier had, dat wist ik zeker, een Amerikaanse vrouw op gespeeld. Die vrouw had geen idee waar Nederland lag. Ik denk dat ze deze gitaar heeft gekocht omdat hij wat kleiner is dan andere gitaren.

Ik keek naar de gitaar en dan zag ik haar, met een heel leuk jurkje op de rand van het bed. De achterkant van de gitaar tegen haar buik. Vooral dat zat mij in de weg. Het was allemaal te persoonlijk. Ik voelde trillen wat zij ooit had voelen trillen. Hetzelfde hout, ooit onbekommerd omhoog groeiend als boom. Ook dat nog.

Die hele geschiedenis verlamde mij. Het was nog niet mijn gitaar. Vreemd genoeg durfde ik na twee tia’s opeens wel de gitaar op te pakken en te bespelen. Het was nu of nooit. Het was alsof ik hem eindelijk een beetje verdiende. Ik speelde een paar akkoorden en zong de namen van mijn kinderen en daarna die van Tanja.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden