Column Nico Dijkshoorn

Ik weigerde achter in mijn busje Peruaanse pannekoekjes te bakken

Ik ben gisteren verdwaald in een parkeergarage, omdat ik de verkeerde auto zocht. Mijn oude auto, die nu waarschijnlijk in Midden-Afrika dienst doet als geitenvervoersmiddel. Ik was erg aan die auto gehecht. Een soort busje was het. Ik had wilde fantasieën toen ik hem kocht. Heel romantisch. Dat was nog voordat ik iedereen diep haatte. De tijd dat ik alleen door Europa wilde gaan reizen en dat ik dan wel keek waar ik terecht kwam.

Dat busje, als je het een busje mag noemen, daar kon je makkelijk in slapen. Ik zou een vriend die zichzelf nog nooit had geëlektrocuteerd, vragen of hij via de contactpuntjes een schemerlampje in mijn busje kon installeren. Contactpuntjes, dat woord kende ik via mijn vader. Als een auto het niet doet dan zijn het bijna altijd de contactpuntjes. Of een natte bougie.

Ik heb er nooit in geslapen, maar het wel een keer geprobeerd. In een bos. Vreemd, achteraf, dat ik juist een bos opzocht. Ik wilde het blijkbaar allemaal tegelijk: genieten van de natuur en een diesel met contactpuntjes onder mijn reet. Het kwam er niet van. Ik durfde het niet. Opeens voelde slapen in een busje heel hysterisch. Ik lag een haf uurtje achter in de wagen en dacht: thuis heb ik een bed. Thuis was 13 minuten rijden. Er stond van alles in de ijskast. In het busje lag een oude kokosnoot, voor de hartige trek.

Ik sliep niet in het busje, maar ik reed er wel veel in. Zomaar, in het wilde weg, omdat ik hem nu eenmaal had. Ik liet drie buurjongens de zijkanten vol spuiten met verf. B-Boy Double D Horny Diks stond er eerst. Horny heb ik laten overspuiten.

En toen kwamen de foodtrucks. Mijn auto kreeg opeens een heel ander imago. Als ik een stad in kwam rijden en uit mijn busje stapte, stonden er mensen naast mijn auto te wachten op een burrito. Ze vroegen hoe laat ik openging. Ik legde ze uit dat het een reisbusje was. Maakte ze niet uit. Twee homemade foodtruckburgers graag, met avocadodip. Ze eisten min of meer dat ik achter in mijn bus eten ging maken.

Een rage overgewaaid uit Amerika, net als kauwgom, hoge gebouwen en kauwen op repen gedroogd vlees. En ik zei nee. Mijn hele lichaam zei nee. Nooit zou er in mijn busje worden gekookt. Ik weigerde. Die festivalfuckers gingen zich maar in een karretje achter een fiets op Vietnamese wijze door de stad laten rijden, maar ik trok een grens. Ik ging liever dood dan dat ik achter in mijn wagen Peruaanse pannekoekjes moest gaan bakken.

Dus heb ik hem verkocht aan iemand die banden had met Midden-Afrika. Maar dat busje kon ik dus niet vinden. Ik zocht in de parkeergarage naar iets wat ik niet meer had. En vrij kordate samenvatting van mijn leven. Ik zakte steeds dieper weg in de parkeergarage. Tot 2 uur ’s nachts zocht ik wat ik nooit zou vinden.

En het was prachtig. Alles achteraf dan. Ik ben vannacht heel verdrietig geweest. Ik kon mijn busje niet vinden. Mijn lieve busje. De parkeergarage had geelgroene muren. Ik vond verdieping 7c het mooist, als ik dan toch moest kiezen. Opeens stond ik voor mijn nieuwe auto. Hij was blauw, net als die van Lodewijk Asscher. Blij? Nou nee.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.